Trends

Trends en uitdagingen voor lokale besturen (VVSG Memorandum)

Terug naar navigatie - Trends en uitdagingen voor lokale besturen (VVSG Memorandum) - Maatschappelijke trends en uitdagingen

De bevolking groeit en veroudert. Tegen 2030 is meer dan één op de vijf Vlamingen ouder dan 67 jaar. De vraag naar zorg neemt toe, maar het aantal zorgverleners daalt. Gezinnen worden kleiner en meer divers. Lokale besturen moeten een antwoord bieden op vereenzaming, en op de specifieke behoeften van eenoudergezinnen en samengestelde gezinnen.

 

De arbeidsmarkt verandert. 77% van de inwoners tussen 20 en 64 jaar heeft een betaalde baan. Vooral vrouwen en 55-plussers gaan en blijven langer aan het werk. Om de werkzaamheid verder te verhogen moet de inactieve bevolking ook aan het werk. Het lokale bestuur probeert met specifieke werkgelegenheidsmaatregelen kwetsbare groepen niet alleen aan de slag te krijgen, maar ook begeleiding op maat te bieden.

 

De diversiteit neemt toe. Een kwart van de bevolking is van andere herkomst, in sommige gemeenten zelfs bijna de helft. Diversiteit is ook niet langer een stedelijk fenomeen, ook landelijke gemeenten krijgen meer en meer inwoners met een migratie-achtergrond, de toename is opvallend bij de groep van 0-24 jaar. Bovendien neemt de diversiteit binnen de diversiteit toe. De laatste decennia komen migranten uit alle delen van de wereld. Dit blijkt uit het aantal verschillende nationaliteiten in onze gemeenten. Steeds meer immigranten zijn passanten. De Vlaamse samenleving blijkt steeds meer een ‘vlottende samenleving’ te worden. De grotere steden fungeren als een toegangspoort. Ook is er tegenwoordig een veel grotere verscheidenheid naar migratiemotief en sociaaleconomische status, gaande van vluchtelingen (al dan niet leidend tot illegaal verblijf) tot hoogopgeleide arbeidsmigranten. Dit alles leidt tot verschillen in juridische status, religie, leeftijd en andere kenmerken die van betekenis zijn voor de maatschappelijke positie van migrantengroepen. Vlaanderen kent een zeer grote achterstelling bij mensen van vreemde herkomst op het vlak van woningkwaliteit, schoolse uitval en deelname aan de arbeidsmarkt. Het plaatst gemeenten voor grote uitdagingen op het gebied van onderwijs, huisvesting, werkgelegenheid en sociale cohesie. Gemeenten spelen een sleutelrol bij het ontvangen, inburgeren en integreren van immigranten en andere nieuw- en oudkomers. Bovendien zijn de lokale besturen de regisseurs van het samenleven en hebben ze een sleutelpositie voor een gelijke kansenbeleid. Aandacht voor diversiteit, antidiscriminatie, toegankelijkheid en de emancipatie van mensen in een achtergestelde positie zorgt mee voor een inclusieve samenleving.

 

Een grote groep mensen is maar één tegenslag van de armoede verwijderd. Een op tien Vlamingen kan de facturen voor basisbehoeften zoals wonen, energie, gezondheidszorg en onderwijs moeilijk betalen. Bijna één op de tien kinderen in Vlaanderen wordt geboren in een kansarm gezin. Volgens het Federale Planbureau zal na een daling het armoederisico vanaf 2030 weer stijgen, afhankelijk van de leeftijd. Wie tegen betaling werkt, loopt minder kans om arm te worden. De voorbije crisissen maakten duidelijk hoe effectief onze sociale zekerheid is, als buffer tegen armoede. 

 

Het lokale sociale beleid is het meest geschikt om op veranderende behoeften in te springen, zoals de groeiende complexiteit van problemen waarmee mensen te maken hebben. Het aantal leefloners stijgt, en het aantal mensen dat een beroep doet op aanvullende steun, schommelt al jaren tussen de 90.000 en de 100.000. Lokale besturen zoeken actief de kwetsbare mensen in de gemeente op, om hen zo volledig mogelijk te ondersteunen bij hun digitale ongeletterdheid, eenzaamheid en (mentale) gezondheid.

 

Door zelf het zorgaanbod te regisseren en door zelf zorg aan te bieden komt het lokale bestuur tegemoet aan wat de ouderen maar ook de jonge gezinnen met kinderen nodig hebben. Buurtwerking wordt belangrijker, een jeugdlokaal, museum of bibliotheek kan voor inwoners een plaats zijn waar ze zich welkom voelen zonder er te werken of te consumeren. Dankzij de zorgzame buurten die lokale besturen ontwikkelen, kunnen mensen langer thuis blijven wonen, vereenzamen ze minder en wordt de zorg en dienstverlening toegankelijker. Nu regionale organisaties de dienstverlening centraliseren en digitaliseren, willen mensen op lokaal niveau toegankelijke dienstverlening dichtbij huis. De in 2020 erkende zorgraden hebben succesvol de covid-vaccinatiecentra opgericht, het is een interessant niveau om bovenlokaal te werken aan zorg en welzijn.

 

Sinds de coronacrisis is er meer aandacht voor fysieke en mentale gezondheid. Acht op de tien Vlamingen is gelukkig, twee op de tien niet, vooral lager opgeleiden. Sociale contacten, gezonde leefomstandigheden, nieuwe ervaringen en het beleven van vrije tijd dragen (preventief) bij aan de (mentale) gezondheid en het geluksgevoel van de inwoners.

 

Het verenigingsleven verandert. 62 procent van de Vlamingen is lid van een vereniging. Maar leden verbinden zich niet meer levenslang aan een vereniging, ze zetten zich eerder met overtuiging in voor kortere projecten en lossere verbanden, zoals wijkcomités, actiegroepen of doelgroepenverenigingen. 16 procent van de Vlamingen doet regelmatig aan vrijwilligerswerk, de coronacrisis maakte duidelijk hoe onmisbaar dit is voor een warme samenleving.

 

Onze maatschappij digitaliseert versneld sinds de coronacrisis. De gemeenteraden kwamen digitaal bijeen. De digitale technologie is doorgedrongen tot de gemeentelijke administratie. De analyse van de data vervat in alle digitale toepassingen helpt bij de opmaak van de omgevingsanalyse en bij het formuleren en motiveren van beleidsbeslissingen. Slimme technologieën kunnen voor oplossingen zorgen op vlak van mobiliteit, zorg, klimaat of veiligheid. De digitale dienstverlening wordt gebruiksvriendelijker, met online burgerloketten en mobiele applicaties voor het opvragen van documenten of vergunningen, het melden van klachten, het lenen van e-boeken of het reserveren van een theatervoorstelling. Inwoners kunnen via digitale platformen inspraak hebben in het beleid. 

 

Maar dit alles dwingt ook tot kritisch nadenken, er is een wettelijk en ethisch kader nodig voor de nieuwe toepassingen. Het risico op uitsluiting vergroot voor wie onvoldoende geletterd of digitaal vaardig is. Ondanks het stijgende internetgebruik is bijna de helft van alle Belgen digitaal kwetsbaar. Tijdens de coronacrisis startten veel lokale besturen met initiatieven in de bibliotheek en het dienstencentrum, maar deze projectmiddelen stoppen na 2024.

 

Cybercriminaliteit en -aanvallen kunnen de dienstverlening verstoren en zorgen voor datalekken en onvoorziene uitgaven om digitale systemen terug op orde te krijgen. Wie goed is voorbereid, kan bij een cyberaanval de schade beperken. Digitalisering is het thema bij uitstek waarvoor lokale besturen de handen in elkaar slaan. Voor een succesvolle digitale transformatie zijn samenwerking en partnerschap tussen lokale besturen en centrale overheden cruciaal.

 

Onze economie ondergaat aardverschuivingen door de industrialisatie en de almaar groeiende dienstensector. Ook de technologische revoluties zoals het Internet of Things en kunstmatige intelligentie, veranderen de economie en de tewerkstelling. 

 

De consument wil meer dan alleen winkelen; ontspanning en ervaring staan centraal, naast meer lokale betrokkenheid, gekoppeld aan authenticiteit, duurzaamheid en erfgoed. Kernen moeten groener, toegankelijker en leefbaarder worden, zich aanpassen aan e-commerce en evolueren naar duurzame ecosystemen.
Schaarse ruimte stimuleert duurzaam ruimtegebruik en het delen en verweven van werken, wonen en ontspannen. Van dorpskernen tot stedelijke wijken is een kwaliteitssprong nodig want daar, in de publieke ruimte wordt alles verknoopt en komt alles samen: economie, mobiliteit, vrije tijd, landbouw, (betaalbaar) wonen en gezondheid. Maar er moet ook voldoende open ruimte blijven en gecreëerd worden voor groen, natuur, bos en biodiversiteit. 

 

De verstoring van het ecologische evenwicht tussen mens en planeet heeft onvoorspelbare gevolgen. Door de klimaatverandering wordt het weer extreem met hitte, droogte, wateroverlast en effecten van de zeespiegelstijging. Energiemaatregelen (klimaatmitigatie) moeten tegen 2030 de CO2-uitstoot met minstens 55% verminderen en de energievoorziening tegen 2050 klimaatneutraal maken. Tegen 2030 moeten de doelstellingen van het Burgemeestersconvenant en die van het Lokaal Energie en Klimaat Pact (LEKP) worden gerealiseerd. Dit vergt meer inspanningen. Nog 95 procent van de woningen moet 2050-bestendig worden, de helft van de huiseigenaars kan de renovatie tot een A-label niet betalen, een sociaal rechtvaardigheidsmechanisme is nodig. Enerzijds moet energie hernieuwbaar worden en efficiënter gebruikt, anderzijds is een aanpassing nodig om de schokken van de klimaatverandering op te vangen. Daarvoor is de groenblauwe dooradering van dorps- en stadskernen nodig, net zoals het lokaal sluiten van de waterkringlopen. Lokale besturen moeten een voorbeeld zijn en hun eigen patrimonium vergroenen en ontharden én hun fossiele grondstoffengebruik afschaffen.

Politieke en bestuurlijke bewegingen

Terug naar navigatie - Trends en uitdagingen voor lokale besturen (VVSG Memorandum) - Politieke en bestuurlijke bewegingen

Het politieke landschap verandert. Kiezers wisselen gemakkelijk van partij, de uitslagen worden onvoorspelbaarder. In 2024 waren er op 9 juni Europese, federale en Vlaamse verkiezingen (mét een opkomstplicht, en voor de Europese verkiezingen met stemrecht vanaf 16 jaar) en op 13 oktober lokale verkiezingen (zonder opkomstplicht en met stemrecht vanaf 18 jaar). Het effect van de lijststem verdween (de individuele voorkeurstemmen bepalen of iemand wordt verkozen) en de grootste partij kreeg het initiatiefrecht om een coalitie te vormen.
Een constructieve motie van wantrouwen zorgde tijdens de vorige zes jaar voor een meerderheidswissel in zeventien gemeenten. Dit voorkwam een langdurige verlamming van het bestuur, maar dit instrument kan ook leiden tot extra wantrouwen. In elk geval komt een ruziënd bestuur de beeldvorming over de gemeente en ‘de politiek’ niet ten goede.

 

Het vertrouwen van burgers in de overheid en de politiek daalt, al scoren gemeenten en diensten zoals de afvalophaling of de politie doorgaans hoger dan gemiddeld. Op sociale media spuien mensen, doorgaans anoniem, ongeremd hun meningen. De weerklank die de schelders krijgen is vaak groter dan hun aantal. Deze trend keren is niet vanzelfsprekend. Lokale besturen kunnen proberen zelf ‘onbesproken’ te blijven, door te werken aan integriteit en deontologie, door uit te leggen waarom bepaalde beslissingen worden genomen en andere niet, door in de gemeenteraad het debat tussen meerderheid en oppositie hoffelijk te houden (want alle raadsleden zijn volksvertegenwoordigers) en op ‘de bal’ en niet op ‘de persoon’ te spelen.

 

De klassieke kanalen van politieke participatie volstaan niet meer. De digitale mogelijkheden zorgen voor meer informatie en zichtbare interacties op het publieke forum. Complexe maatschappelijke uitdagingen vragen een overheid die samenwerkt (quadruple helix), die netwerken opzet en het algemeen belang blijft bewaken. Door de hogere scholingsgraad zijn inwoners mondiger en willen ze mee nadenken over het lokale beleid. Daarnaast dreigen meer mensen uit de boot te vallen. Deze ontwikkelingen duwen lokale besturen naar innovatieve vormen van burgerparticipatie

 

Schaalvergroting is een andere trend die lokale besturen raakt. Ziekenhuizen vormen netwerken, scholen groeperen zich, centrale overheden concentreren hun dienstverlening in een beperkt aantal kantoren. Die tendens en de beperkte bestuurskracht van gemeenten zetten aan om na te denken over wat ze zelf blijven doen, waarvoor ze meer willen samenwerken of waarom een fusie beter is. De Vlaamse overheid blijft fusie ondersteunen. Tegelijk dwingt de regiovorming sinds 2022 nieuwe entiteiten om zich in te schrijven binnen de referentieregio’s. Van de bestaande wordt verwacht dat ze zich enten op die nieuwe gebiedsomschrijvingen.

 

Voor de oplossing van de maatschappelijke problemen zitten gemeenten steeds meer in een netwerk met andere centrale, Europese en internationale overheden (die zelf ook uit een veelheid van entiteiten bestaan), vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers, burgergroeperingen of onderwijs- en zorginstellingen. De interdependentie neemt toe. Dikwijls coördineert het lokale bestuur dit netwerk, brengt het dit bijeen of stuurt het aan. Dat vergt specifieke politieke en ambtelijke competenties. Het is niet eenvoudig om hiervoor op de krappe arbeidsmarkt de juiste profielen te vinden. Ook voor andere lokale taken moeten lokale besturen zich als aantrekkelijke werkgevers presenteren, met competitieve loon- en arbeidsvoorwaarden, voldoende autonomie en ondersteuning maar ook met hun reputatie als vormgever van de lokale samenleving. Schandalen of politiek geruzie kunnen dat imago aantasten en nadien duurt het lang eer het opnieuw ‘op niveau’ is. 

 

Lokale besturen zijn de eerste overheid. Voor de klimaatproblemen of het activeren van mensen op de arbeidsmarkt kunnen gemeenten het verschil maken, precies omdat zij geïntegreerd lokale problemen kunnen aanpakken. Helaas is de decentralisatie soms geïnspireerd door budgettaire motieven op het centrale niveau. Vanuit Europa wordt de druk op België opgevoerd om de overheidsfinanciën te saneren. Lokale besturen dragen amper bij tot het overheidstekort of de uitstaande schulden, maar ze kunnen wel het slachtoffer worden wanneer centrale overheden gaan besparen op de financiële stromen richting de gemeenten. 

 

Vlaamse gemeenten zijn wereldwijd voortrekkers in de lokale vertaling van de Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling. De meerderheid van de SDG’s zijn niet realiseerbaar als de lokale besturen het niet doen. De Agenda 2030 gaat trouwens niet alleen over de realisatie van de zeventien SDG’s maar bevat ook enkele essentiële basisprincipes, verbonden met de pijlers van duurzaamheid: mens, planeet, welvaart, vrede en partnerschap. Zorg ervoor dat ook de meest kwetsbare groepen betrokken worden bij en positieve impact ondervinden van het beleid (‘Leave No One Behind’). Samenwerkingsnetwerken en partnerschappen zijn daarbij essentieel. 

Globale trends

Terug naar navigatie - Globale trends - Global Trends to 2040: Choosing Europe's Future

Het European Strategy and Policy Analysis System (ESPAS) heeft meerdere rapporten gepubliceerd, waaronder het recente Global Trends to 2040: Choosing Europe’s Future. Dat rapport onderzoekt belangrijke mondiale trends tot 2040 op het gebied van demografie, technologie, milieu, economie en geopolitiek. Het benadrukt de groeiende complexiteit van deze trends en pleit voor proactieve strategische keuzes om Europa's toekomst vorm te geven. Het European Strategy and Policy Analysis System (ESPAS) is een samenwerkingsverband tussen diverse Europese instellingen dat strategische analyses en toekomstverkenningen levert om Europese beleidsmakers voor te bereiden op toekomstige uitdagingen en kansen.

Onder het motto 'Think globally, act locally' biedt het rapport ook inzichten die relevant zijn voor de omgevingsanalyse van gemeentelijke meerjarenbeleidsplannen. Vier wereldwijde trends worden nader belicht:

  • Technologische revolutie: De voortdurende digitalisering en de impact van nieuwe technologieën zoals AI, robotica en biotechnologie.
  • Geopolitieke verschuivingen: Veranderingen in de wereldorde, de opkomst van China en andere niet-westerse mogendheden, en de uitdagingen voor de Westerse dominantie.
  • Economische en sociale dynamiek: Veranderingen in de wereldeconomie, groeiende ongelijkheden, en de noodzaak van duurzame economische modellen.
  • Klimaatverandering en duurzaamheid: De dringende behoefte aan actie om klimaatverandering te beperken en de overgang naar een koolstofarme economie.

Lokale niveau
Deze mondiale trends hebben directe en indirecte gevolgen voor lokale besturen. Technologische vooruitgang kan bijvoorbeeld de lokale arbeidsmarkt en onderwijsbehoeften beïnvloeden. Klimaatverandering vraagt om lokale aanpassingsstrategieën en infrastructuurinvesteringen om de gevolgen van extreme weersomstandigheden te mitigeren. Door in te spelen op trends zoals digitalisering en de groene economie, kunnen Vlaamse steden en gemeenten hun economische basis versterken en nieuwe groeikansen creëren. Investeringen in technologie en duurzaamheid verbeteren tevens de levenskwaliteit voor inwoners.
Het rapport biedt waardevolle richtlijnen voor Vlaamse steden en gemeenten om hun toekomstvisie en beleidsmaatregelen te vormen in een snel veranderende wereld. Door proactief en strategisch te handelen, kunnen zij zich beter positioneren om de uitdagingen en kansen van de komende decennia aan te gaan.
Samenwerking op verschillende niveaus (lokaal, regionaal, nationaal en Europees) is cruciaal om effectief te reageren op deze uitdagingen. Innovatieve oplossingen en best practices kunnen worden uitgewisseld tussen steden en gemeenten binnen en buiten Vlaanderen.

(uit: Global Trends to 2040: Choosing Europe's Future - ESPAS - VVSG-nieuws 23/05/2024))

Ruimte

Ruimtebeslag/bouwshift

Terug naar navigatie - Ruimte - Ruimtebeslag/bouwshift

Wat is de bouwshift? 
"Het begrip bouwshift is nergens expliciet in een beleidsdocument opgenomen, maar wordt gekoppeld aan de visie en doelstellingen van de Strategische Visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV). De Strategische Visie stelt het concrete doel voorop om het dagelijks bijkomend ruimtebeslag terug te dringen tot 3 ha tegen 2025 en uiteindelijk tot nul tegen 2040. 
Het ruimtebeslag bestaat uit “de ruimte ingenomen door onze nederzettingen”, dus door huisvesting, industriële en commerciële doeleinden, transportinfrastructuur, recreatieve doeleinden, serres etc. Parken en tuinen maken hier ook deel van uit. Om het bijkomend ruimtebeslag te doen dalen, is een verhoging van het ruimtelijk rendement vereist binnen het bestaande ruimtebeslag, waarbij verdichten, verweven, hergebruik en tijdelijk ruimtegebruik belangrijke principes zijn. De leefkwaliteit binnen het bestaande ruimtebeslag moet behouden blijven en zowel binnen als buiten het ruimtebeslag moeten groenblauwe netwerken gerealiseerd worden. Naast deze kwantitatieve doelstelling over bijkomend ruimtebeslag zijn er ook andere doelen relevant voor de bouwshift, zoals het beperken van de verharding in het ruimtebeslag en het verlagen van de verharding in openruimtebestemmingen
De Strategische Visie werd goedgekeurd in 2018. Sindsdien werden heel wat stappen gezet om deze beleidsintenties in concreet beleid om te zetten, zoals sensibiliseringsinitiatieven, maar ook decreetswijzigingen in het kader van de verhoging van het ruimtelijk rendement. Er zijn nog heel wat kansen om de beleidsuitvoering van de bouwshift te verbeteren."

"Voor de relatief dichtbebouwde en verharde verstedelijkte kernen zijn het behoud én de versterking van de private en publieke groene ruimte belangrijk. De sterke verweving van activiteiten en de aanwezigheid van voorzieningen zijn specifieke kenmerken van deze leefomgevingen. Dit creëert een uitdaging om multifunctionele ruimten te ontwikkelen binnen het bestaande gebouwenpatrimonium of de huidige voetafdruk."

"Uiteindelijk is het de bedoeling dat de verschillende ruimtelijke actoren die een rol te spelen hebben in het realiseren van de bouwshift dit verhaal concreet vorm en inhoud gaan geven. Van de (individuele) burger en eigenaars die via hun aanvragen voor omgevingsvergunningen de toekomstige ontwikkeling van Vlaanderen beïnvloeden, de professionele vastgoed-, landbouw-, industrie- en mobiliteitssector die zullen moeten investeren in onderzoek en renovatie om hun bijkomend ruimtegebruik te optimaliseren, tot de lokale en provinciale besturen, die verder aan de slag moeten gaan met de ruimtelijke principes in hun eigen beleid."

(Uit: Pisman, A., Willems, P., Bieseman, H., Bienstman, M., Vanderheiden, S., Vandevenne, F., Vanongeval, L., & Loris, I. (2024). Bouwshift: beleidsverkenning, toestand, evolutie en toekomstverkenning. Omgevingsrapportage, Departement Omgeving.)

 

 

Omgevingsdenken

Terug naar navigatie - Ruimte - Omgevingsdenken

"De ruimte in Vlaanderen onderging een aantal wijzigingen waardoor de verstedelijking verder toenam in de periode 2013-2019. De oorzaken voor deze verstedelijking zijn onder andere toe te schrijven aan de toename van de bevolking en van de tewerkstelling. Hoe de ruimte in Vlaanderen evolueerde kunnen we meten met verschillende indicatoren: 
• Het landgebruik voor de harde functies nam in oppervlakte toe. Vooral de oppervlakte ingenomen door huizen en tuinen (+5.000ha), en in mindere mate ook door transportinfrastructuur steeg. Binnen de zachte landgebruiken merken we grotere verschillen op. Vlaanderen heeft in 2019 meer akkerland (+4.000ha) en minder grasland (-20.000ha), en ook de ruimte voor landbouwgebouwen en -infrastructuur nam toe. 
• Het ruimtebeslag groeide met circa 11.000 ha of 2,5%. Dit is gemiddeld 5,1 ha/dag. 
• De verhardingsgraad steeg van 14,33% naar 15,40% in 2018. 
• Er kwamen jaarlijks circa 100.000 gebouwen bij (270 gebouwen/dag), waardoor het gebouwenbestand met 14% toenam."

Het Ruimterapport Vlaanderen 2021 bestaat uit een aantal hoofdstukken, die niet thematisch zijn zoals in de vorige editie, maar die willen komen tot conclusies voor een omgevingsdenken. 

"1. Het omgevingsdenken leert ons dat de fysieke leefomgeving veel verschillende dimensies en lagen kent. De lagen zijn een drager van voorraden die we kunnen benutten, als de toestand en kwaliteit van de laag dit toelaat. De lagen stoppen ook niet aan de grenzen van een klassieke ruimtelijke indeling. Zo kunnen grondwaterlagen boven en naast elkaar voorkomen op verschillende dieptes. Door in 3D na te denken over de lagen in onze leefomgeving, creëren we nieuwe indelingen en kunnen we uitdagingen concreter positioneren en beschrijven. Ook wordt duidelijk dat de lagen in relatie staan tot elkaar. 

2. Het omgevingsdenken laat ons kijken naar de dynamieken binnen en tussen de verschillende voorraden en stromen. Die dynamieken ontstaan door maatschappelijke activiteiten en natuurlijke processen en bepalen sterk de toestand waarin de voorraden en stromen verkeren. Die toestand, met name de hoeveelheid en de kwaliteit van de voorraden en stromen, is sterk afhankelijk van het tijdstip. Ook evoluties kunnen verschillen en sneller of net trager verlopen. Zo wordt de grondwaterstand sterk beïnvloed door het weer, de infiltratie van neerslag en de onttrekking door de mens; het herstel van de waterlagen neemt langere tijd in beslag. 

3. Het omgevingsdenken brengt spanningsvelden maar ook nieuwe oplossingen naar boven. Door met een brede blik te kijken worden bijkomende voorwaarden aan het ruimtegebruik opgelegd. De veelheid aan uitdagingen komen immers samen in beeld. Het omgevingsdenken heeft de rol dat spanningsveld te overstijgen en door de koppeling van vraagstukken nieuwe pistes voor oplossingen te creëren. De opgaven worden immers meer geïntegreerd benaderd (verdichting en de energietransitie worden gekoppeld), de concepten worden verruimd (niet enkel vervuiling, maar ook gedrag en beleving bepalen de gezonde leefomgeving)."

(Uit: Ruimterapport Vlaanderen - Pisman, A., Vanacker, S., Bieseman, H., Vanongeval, L., Van Steertegem, M., Poelmans, L., Van Dyck, K. (Eds.). (2021). Brussel: Departement Omgeving).

Verkeer/mobiliteit

Verplaatsingen

Terug naar navigatie - Verkeer/mobiliteit - Verplaatsingen

“De Vlaming verplaatst zich gemiddeld 2,7 keer per dag en legt gemiddeld 29,8 km af. Dat blijkt uit de resultaten van een studie over de verplaatsingen van de Vlaming, het Onderzoek Verplaatsingsgedrag 2021-2022 (OVG 6) van het Departement Mobiliteit en Openbare werken. We fietsen en wandelen steeds meer: 18% van onze verplaatsingen gebeurt met de fiets. 17% doen we te voet. Daarnaast is de elektrische fiets aan een stevige opmars bezig. 
Vaak wordt gedacht dat onze werk- en schoolgerelateerde verplaatsingen, zoals zakelijke verplaatsingen (4%), werken (13%) en onderwijs (7%), een groot aandeel in ons verplaatsingsgedrag innemen, maar dat klopt niet. Deze zijn samen slechts goed voor 24% van het totaal aantal verplaatsingen. De meeste verplaatsingen maken we in onze vrije tijd (60%), bijvoorbeeld om te gaan winkelen (23%), om sportieve of culturele hobby’s (15%) uit te oefenen, om iemand te bezoeken (10%), te wandelen, rond te rijden of te joggen (6%), of voor diensten zoals een doktersbezoek (6%). Voor het overige verplaatst de Vlaming zich om spullen of personen op te halen of weg te brengen (14%) of voor ‘iets anders’ (2%).
Onze verplaatsingen doen we nog steeds voornamelijk met de auto (43% als bestuurder en 14% als passagier), maar opvallend is wel dat de auto voor het eerst onder de 60% in de modal split duikt. Ter vergelijking: in 2019 had de auto nog een aandeel van 65%. Sinds de opstart van dit onderzoek in 1994 lag het fietsgebruik in Vlaanderen nog nooit zo hoog. We doen 18 % van onze verplaatsingen met de (elektrische) fiets. Dat is een stijging van 4%-punt t.o.v. 2019. 12,5% rijdt niet-elektrisch, 5,3% elektrisch en 0,3% met een speedpedelec. 17% van onze verplaatsingen doen we te voet, een stijging van 5%-punt t.o.v. 2019. Het openbaar vervoer (lijnbus, tram, (pre)metro en trein) wordt minder gebruikt: daar maken we voor zo’n 4% van onze verplaatsingen gebruik van, terwijl dat in 2019 nog 7% was. Zo’n 3% gebeurt op een andere manier: bestelwagen, step …

77% van de Vlaamse gezinnen heeft minstens één fiets. Dat aantal ligt in lijn met eerdere onderzoeken. Het aantal Vlamingen dat een elektrische fiets bezit stijgt fors. 35% van de gezinnen met een fiets heeft een elektrisch exemplaar. Ter vergelijking: pre-corona was dit nog maar 20%. De Vlaming gebruikt de elektrische fiets niet alleen voor afstanden van 5 tot 15 km en langer, maar ook voor korte afstanden tot 5 km.”

(uit: Onderzoek Verplaatsingsgedrag 2021-2022 – departement Mobiliteit en Openbare Werken / UHasselt - Prof. dr. Davy Janssens, Prof. dr. W. Ectors, dhr. R. Paul)

Regionaal Vervoersplan

Terug naar navigatie - Verkeer/mobiliteit - Regionaal Vervoersplan

Op 21 december 2023 heeft de vervoerregioraad Gent het Regionaal Mobiliteitsplan 2030-2050 voor de vervoerregio Gent definitief vastgesteld. Na goedkeuring door de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken trad het plan in werking op 9 februari 2024. 

Het Regionaal Mobiliteitsplan omvat 7 strategieën met daaronder volgende acties:

(sociaal) Wonen

De werking van de Vlaamse woningmarkt. Een synthese van vijf jaar woningmarktonderzoek

Terug naar navigatie - (sociaal) Wonen - De werking van de Vlaamse woningmarkt. Een synthese van vijf jaar woningmarktonderzoek

Het rapport 'De werking van de Vlaamse woningmarkt. Een synthese van vijf jaar woningmarktonderzoek' vat het onderzoek samen dat tussen 2016 en 2020 is uitgevoerd naar de werking van de Vlaamse woningmarkt. Terugkerende thema’s zijn:
- de demografische vraagdruk op de Vlaamse steden;
- het verbeteren van de woningkwaliteit;
- de realisatie van nieuw woonaanbod;
- de regionale vraag naar woningen.

“De rode draad in deze thema’s is de druk die hoger opgeleiden uitoefenen op centrale regio’s in Vlaanderen, in het bijzonder de centrumsteden. Deze druk verklaart in belangrijke mate de regionale verschillen in woningprijzen. Er zijn daarnaast ook effecten op het sortingproces: huishoudens maken een bepaalde woon- en locatiekeuze op basis van hun voorkeuren en hun beschikbaar budget. Demografische druk van voornamelijk hoger opgeleiden kan zowel op een lokaal als een regionaal niveau zorgen voor veranderingen in dat proces: enerzijds segregatie, waarbij achtergestelde buurten, waar de lage inkomens zich in toenemende mate concentreren, leiden tot minder kansen voor zij die er wonen en anderzijds gentrificatie, waar buurten bewoond worden door een groeiend aandeel hoger-opgeleiden, met stijgende vastgoedprijzen tot gevolg, waardoor lagere inkomens zich er in mindere mate kunnen vestigen wegens financiële beperkingen en armere huishoudens mogelijk verdrongen worden. Bovendien kan de link gelegd worden met een vertraagde of zelfs omgekeerde werking van het filteringsproces. Filtering impliceert dat woningen die verouderen doorheen de tijd opeenvolgend bewoond worden door telkens minder kapitaalkrachtigere huishoudens. In centrumsteden is de omgekeerde tendens echter zichtbaar: ten gevolge van demografische druk worden woningen in centrumsteden net bewoond door relatief kapitaalkrachtigere huishoudens naarmate ze verouderen.”

“Deze studie formuleert enkele aanbevelingen voor het Vlaams beleid, zowel wonen als ruimtelijk. De voornaamste aanbeveling is om (toekomstige) vraag naar woningen (woonbehoefte) in kaart te brengen.” 

“De ruimtelijke uitdaging is immers tweevoudig:
•    Enerzijds is er een mismatch tussen vraag (naar kleinere woningen en appartementen) en aanbod (grotere vrijstaande woningen en villa’s) in regio’s met landelijk karakter, als gevolg van gezinsverdunning.
•    Anderzijds is er de vraag naar betaalbare woningen van jonge gezinnen in grote centrumsteden en centraal Vlaanderen. Vanuit woonbeleid dient hier vooral de betaalbaarheid opgevolgd te worden. Bij een te beperkt aanbod kan men verwachten dat de druk met bijhorende prijsstijgingen enkel toeneemt in deze regio's wat nefast is voor de betaalbaarheid van wonen.”

(Uit: Dreesen, S., & Vastmans, F. (2021). De werking van de Vlaamse woningmarkt. Een synthese van vijf jaar woningmarktonderzoek. Leuven: Steunpunt Wonen).

Visienota sociaal wonen Eeklo (2022)

Terug naar navigatie - (sociaal) Wonen - Visienota sociaal wonen Eeklo (2022)

Eind 2022 werd een visienota rond sociaal wonen in Eeklo uitgewerkt. De conclusies zijn de volgende:

“Het bindend sociaal objectief (BSO) werd in Eeklo reeds bereikt. Om die reden wenst stad Eeklo in te zetten op eerder kleinschalige sociale woonprojecten, eerder dan het aantrekken van grote projecten. De kleinschaligheid binnen projecten heeft als voordeel te blijven zorgen voor een sociale mix in buurten. Echter heeft men nog steeds te maken met lange wachtlijsten om een sociale huurwoning te bekomen. Dit zijn heel wat Eeklose gezinnen en alleenstaanden op zoek naar een sociale huurwoning in Eeklo, waarvoor momenteel onvoldoende aanbod bestaat. Bij de sociale huisvestingsactoren werd vastgesteld dat de groep kwetsbaren op zoek naar een sociale huurwoning steeds groter en kwetsbaarder wordt. Inzetten op een goede begeleiding vormt een kernwaarde in een goed uitgewerkt sociaal woonbeleid. 

Rekening houdende met de demografische evoluties zal het realiseren van bijkomende sociale woonentiteiten nodig zijn om het aandeel sociaal wonen in Eeklo te bestendigen. Gezien de vele kandidaat-huurders op de wachtlijst met Eeklo als voorkeursgemeente, kan geconcludeerd worden dat Eeklo te kampen heeft met een té klein aanbod, eerder dan een niet aangepast aanbod. Voortgaand op deze wachtlijst kan gesteld worden dat er een behoefte is aan kleinere woongelegenheden. Er kan echter niet voorbijgegaan worden aan het feit dat er ook een beperkt aantal grotere gezinnen op de wachtlijst staan en dat zij langer moeten wachten vooraleer er een woning kan worden toegewezen (ook de private huurmarkt biedt hier weinig mogelijkheden). Om die reden dient er – naast de kleinere woonentiteiten – ook aandacht te zijn voor woongelegenheden met voldoende capaciteit om deze grotere gezinnen te gaan huisvesten bij de ontwikkeling van nieuwe projecten. 

Naast het maximaal afstemmen van woonbehoefte op het aanbod bij het realiseren van nieuwe bijkomende woonprojecten, zet de stad Eeklo reeds in op diverse zaken om de minder kwalitatieve woningen in het laagste segment van de private huurmarkt te verbeteren: 
• inzetten op de samenwerking met het Sociaal Verhuurkantoor Meetjesland; 
• een samenwerking opstarten met organisaties die ontzorging in kader van renovatie van woningen koppelen met sociale verhuur; 
• inzetten op het verbeteren van de kwaliteit door o.a. actief in te zetten op: 

    • verordening verplicht conformiteitsattest;
    • administratieve procedure tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring;
    • ondersteuning via het woon- en energieloket m.b.t. renovatiepremies;
    • toeleiding energiebesparende maatregelen; 

• inzetten op een actief beleid rond leegstaande woningen en gebouwen; 
• inzetten op een actief beleid rond verwaarloosde woningen en gebouwen. 

De focus op specifieke doelgroepen wordt verder opgevangen in het traject van de toewijs van de woonmaatschappij. Eeklo neemt hieraan actief deel. Het zal ook van belang zijn om in dit traject van toewijs de welzijnsactoren mee te nemen. 
Tot slot vormt het begeleiden van de kwetsbare doelgroep en de samenwerking met diverse partners hierrond een kernwaarde in het sociaal woonbeleid."

Recente woonprojecten in Eeklo: wat is het profiel van woongelegenheden en bewoners? (oefening 2024)

Terug naar navigatie - (sociaal) Wonen - Recente woonprojecten in Eeklo: wat is het profiel van woongelegenheden en bewoners? (oefening 2024)

We onderzochten de woonprojecten van de jongste 15 à 20 jaar in Eeklo zoals doorgegeven door dienst omgeving. Dit gaat om in totaal 1.081 gezinnen / wooneenheden. Daarin onderscheiden we vijf types van projecten:

  • type 1: recent woonproject - Inbreidingsprojecten: grootschalige bouwprojecten op buurtschaal, gemengd grondgebonden en meergezinswoningen en publieke ruimte;
  • type 2: recent woonproject - Vrijstaande meergezinswoningen zonder of met beperkte publieke ruimte;
  • type 3: recent woonproject - Grondgebonden woningen halfopen-gesloten, geen of beperkte publieke ruimte, verkavelingen op groepswoningbouw;
  • type 4: recent woonproject - Sociale woonprojecten (door Woonmaatschappij of sociaal verhuur in private eigendom);
  • type 5: recent woonproject - Invulprojecten meergezinswoningen.

We maken vergelijkingen tussen deze woonprojecten en de straten in en rond het centrum:

  • visgraatstraten Eeklo-Noord: Zilverstraat, Teirlinckstraat, Garenstraat, Kerkstraat, Raamstraat, Prinsenhofstraat;
  • visgraatstraten Eeklo-Zuid: Visstraat, Kaaistraat, Patersstraat, Collegestraat, Cocquytstraat, René Vermaststraat, Sterrestraat, Vlamingstraat;
  • WISH-wijk (Polydoor Lippenslaan, Pieter Van Deputtestraat, Karel Smitzstraat, Blommekens 28-38, Roze 53-59, Kunstgildeplein) = 118 wooneenheden/gezinnen;
  • Graswijk (Rietstraat, Helmstraat, Kerkesteestraat, Herbakkersstraat, Veenbiesstraat, Veldbiesstraat, Liesgrasstraat, Raaigrasstraat, Tarwestraat, Haverstraat, Emiel Dauwestraat, Karel Stroostraat) = 288 wooneenheden/gezinnen.

 

ALGEMENE BEVINDINGEN:

  • De recente woonprojecten (zonder WISH en Graswijk) worden als volgt gekenmerkt (in vergelijking tot totaal Eeklo, de visgraatstraten, N9, Boelare-Blommekens en Koning Albertstraat):
    o   Het aandeel alleenstaanden (42,6%) is groter dan voor Eeklo algemeen, maar lager dan de centrum- en visgraatstraten.
    o   Het aandeel niet-Belgen (9,2% = 195) is kleiner dan voor Eeklo algemeen en gevoelig kleiner dan de centrum- en visgraatstraten.
    o    Het aandeel huurwoningen (44,6%) is groter dan voor Eeklo algemeen, maar lager dan de centrum- (= 315) en visgraatstraten (= 438).
    o    Het aandeel sociale huurwoningen (10,55%) is groter dan voor Eeklo algemeen en voor de centrum- en visgraatstraten.
    o    Het aandeel jongeren (0-19jaar) (= 17%) ligt lager dan het Eeklose cijfer en de score van de visgraatstraten, maar hoger dan op de N9 en Boelare-Blommekens.
    o    Het aandeel senioren (=60+) (= 29,1%) is te vergelijken met het Eeklose cijfer en de score van de Koning Albertstraat, maar ligt hoger dan de visgraatstraten en gevoelig lager dan N9 en Boelare-Blommekens.

 

Kijken we naar de huurwoningen binnen de recente projecten, dan worden de verschillen nog uitvergroot: meer alleenstaanden, minder jongeren, meer senioren dan voor de recente woonprojecten in het algemeen.

Sedert 2001 kwamen er in Eeklo 2.288 wooneenheden bij. Dit is een stijging met 26,07%. Het aantal appartementen nam in diezelfde periode toe met 113,23% (= + 1.455). In de afgelopen periode waren bijna 2 op de 3 nieuwe wooneenheden een appartement.

 

De tevredenheid over zicht op groen vanuit de eigen woning is volgens de Gemeente-Stadsmonitor gestegen tussen 2020 en 2023. De Eeklose score zit op 67% respondenten die tevreden zijn. In vergelijkbare steden is dit 71%. Bij de Buurtenmonitor (2022) ging dit om 61%. De verschillen tussen de 7 buurten zijn groot: Eeklo Noord buitengebied scoort het best, gevolgd door Balgerhoeke, Eeklo West, Eeklo Oost en Eeklo Zuid. Eeklo Noord en Eeklo centrum scoren veel lager dan het Eekloos gemiddelde.

Nieuwbouwpotentieel

Terug naar navigatie - (sociaal) Wonen - Nieuwbouwpotentieel

In 2023 telde het Vlaamse Gewest een totale oppervlakte van 42.028 hectare aan juridisch nieuwbouwpotentieel. Dat was minder dan in 2014 en 2019. In 2023 lag het totale potentieel 14% lager dan in 2014 en 6% lager dan in 2019. Het juridisch nieuwbouwpotentieel omvat de nog onbebouwde bouwgronden die juridisch-planologisch en in de praktijk bebouwbaar zijn. Het gaat hierbij om de totale voorraad aan nieuwbouwpotentieel, niet enkel om de voorraad die te koop staat.

In 2023 lag het nieuwbouwpotentieel verspreid over 293.977 bouwpercelen. Dat aantal is afgenomen ten opzichte van 2014 en 2019 toen er meer dan 313.000 beschikbare woonpercelen waren.

In 2023 nam het nieuwbouwpotentieel 21% van het totale woonpotentieel in. In 2014 was dat 24% en in 2019 22%.

In Eeklo bedroeg het nieuwpotentieel in 2023: 98 hectare.

(bron: Departement Omgeving)

Woonsurvey 2023

Terug naar navigatie - (sociaal) Wonen - Woonsurvey 2023

De Woonsurvey 2023 biedt actuele cijfers over het Vlaamse woonpatrimonium en de kenmerken en woonomstandigheden van Vlaamse huishoudens. De data bestaat uit een bevraging van 4.417 huishoudens, en een inwendige screening uitgevoerd door technische experten van 2.706 woningen. Het rapport heeft aandacht voor de kenmerken van de woonst, de woningkwaliteit en omgeving van Vlaamse huishoudens. Dankzij een geavanceerde weegmethode zijn de resultaten representatief voor de Vlaamse bevolking.

Uit de resultaten blijkt dat de meeste Vlaamse huishoudens eigenaar zijn en wonen in eengezinswoningen in niet-stedelijke gebieden. Niettemin, stijgt het aandeel meergezinswoningen bijna overal. Deze trekken steeds vaker ook eigenaars, huishouden met hoge inkomens en hoogopgeleiden aan. De “verappartementisering” is dus geen louter stedelijk fenomeen meer. Opvallend: ook hogere inkomens en eigenaars kiezen vaker voor een appartement, al lijkt dit eerder het gevolg van betaalbaarheids- en aanbodfactoren dan van veranderde woonwensen.

Eigenaarschap blijft stabiel: 7 op 10 van de huishoudens is eigenaar. Zelfs bij het laagste inkomenskwintiel is iets meer dan de helft eigenaar-bewoner. De (mediane) leeftijd waarop men eigenaar wordt, blijft stabiel sinds de jaren 1990. Een kwart van de Vlaamse huishoudens huurt privaat. Sinds 2018 is er een lichte toename van het aandeel private huurders, o.a. bij lagere inkomens maar ook bij hoogopgeleiden en hogere inkomens, wat wijst op een diversifiëring van het profiel op de private huurmarkt. Het aandeel sociale huur blijft stabiel. 7 op 10 particuliere verhuurders heeft één huurpand. Verhuurrelaties verlopen over het algemeen goed.

De gerapporteerde woningkwaliteit wat betreft o.a. problemen aan ramen en dak blijft volgens bewoners stabiel. Wel zijn er grote verbeteringen in isolatie en energieprestaties sinds 2018. Tegelijkertijd hangt deze energie-efficiëntie nog steeds sterk samen met het huishoudinkomen. Daarenboven genieten hogere inkomens vaker van premies.

Uit de technische screenings blijkt dat de helft van de woningen ongeschikt is; 1 op 10 heeft structurele gebreken, en 1 op 14 is onbewoonbaar. Vooral eenoudergezinnen en lagere inkomens wonen vaker in slechte woningen. De stijging van ongeschikte woningen sinds 2013 is het sterkst bij eigenaar-bewoners. Ongeschiktheid is vaak gelinkt aan veiligheid (rookmelders (30%), elektriciteit (10%), trappen (10%), ontoereikende dakisolatie/beglazing (7%)). Ondanks de verplichting voldoet 30% niet aan de rookmeldersnorm. De kloof tussen subjectieve beleving en objectieve kwaliteit is groot: 77% van de bewoners ervaart zijn woning als goed, ook als dat volgens de screening niet zo is. Vooral eenoudergezinnen, alleenstaanden en huurders zijn oververtegenwoordigd in de ongeschikte woonsituaties.

Wat betaalbaarheid betreft: de betaalbaarheidsrisico’s van eigenaar-bewoners zijn sinds 2018 gedaald dankzij de gangbaarheid van vaste afbetaling van de hypotheek en de vele loonindexeringen in de voorbije jaren. In contrast, 1 op 2 private huurders besteedt meer dan 30% van hun inkomen aan huur. Bovendien, iets meer dan de helft van Vlaamse huishoudens in het laagste inkomenskwintiel kampt met te hoge woonkosten of een te klein budget om menswaardig deel te nemen aan de samenleving. Sociale huur biedt bescherming, maar ook daar heeft 30% te weinig budget over om rond te komen na het betalen van de huur.

(uit: 2025, David de Smalen en Katleen Van den Broeck - Leuven: Steunpunt Wonen)

 

Wat betekent dit voor lokale besturen?

  • Toezicht op woningkwaliteit verdient blijvende aandacht. De rookmeldersverplichting blijkt onvoldoende gekend of opgevolgd.
  • Woonbeleid moet sterker inzetten op betaalbaarheid, zeker voor private huurders en kwetsbare groepen.
  • Nieuwe meergezinsprojecten vragen kwaliteitsvolle inrichting van de woonomgeving, ook buiten steden.
  • Renovatie- en energiepremies bereiken vooral hogere inkomens. Lokale begeleiding blijft noodzakelijk voor kwetsbare eigenaars en verhuurders (VVSG).

Digitale inclusie

Barometer digitale inclusie - Koning Boudewijnstichting (2024)

Terug naar navigatie - Digitale inclusie - Barometer digitale inclusie - Koning Boudewijnstichting (2024)

In 2023 merken we drie digitale kloven:
1. toegang tot internet en bezit van ict-middelen;
2. digitale vaardigheden;
3. gebruik van essentiële diensten (e-banking, e-administratie …).

De stijgende tendens van de toegang tot internet en bezit van ict-toestellen sinds 2019 zet zich ook in 2023 door, maar de kloven tussen de bevolkingsgroepen houden aan. De belangrijkste factoren die digitale kwetsbaarheid m.b.t. internettoegang bepalen zijn: opleidings- en inkomensniveau, gezondheid en gezinssamenstelling (eenoudergezinnen). 1 op de 10 gezinnen met een laag inkomen heeft geen internetaansluiting.

Multigeconnecteerd zijn blijkt de nieuwe norm:

De 68% multigeconnecteerden (dus meer dan 1 toestel) in 2021 stijgt naar 78% in 2023 (+10 procentpunten). Maar, als we kijken naar kwetsbare groepen:

  • 1 op 4 personen (25%) in inkomensarme huishoudens is enkel geconnecteerd via smartphone;
  • 4 op 10 personen (42%) met een diploma lager onderwijs (25-54-jarigen) zijn enkel geconnecteerd via smartphone.

Geen gebruik van internet bij volgende doelgroepen:

  • inkomensarm: 12%
  • alleenstaand: 11%
  • inkomensarm en alleenstaand: 18%.

4 op de 10 Belgen blijven digitaal kwetsbaar. Dit cijfer stijgt sterk voor personen met een ‘risicoprofiel’:

  • laag inkomen: 59% digitaal kwetsbaar;
  • kortgeschoolden: 68% digitaal kwetsbaar;
  • eenoudergezinnen: 42% digitaal kwetsbaar;
  • alleenstaanden: 44% digitaal kwetsbaar;
  • gezondheidsprobleem: 58% digitaal kwetsbaar;
  • werkzoekenden: 54% digitaal kwetsbaar (dubbele penalisatie).

Toch daalt de digitale kwetsbaarheid tussen 2021 en 2023 (behalve bij eenoudergezinnen): 2021: 46% naar 40% in 2023. Dit ten gevolge van een lichte afname van personen die ‘geen vaardigheden’ rapporteren en een lichte stijging van de ‘gevorderde vaardigheden’.

Het dynamische en evolutieve karakter van digitale vaardigheden heeft belangrijke gevolgen. Er blijft een hoge druk om de vereiste digitale vaardigheden up to date te houden, te vernieuwen en bij te schaven.

Het gebruik van digitale essentiële diensten stijgt in heel België, met uitzondering van het gebruik van e-administratie. Ook hier zijn er grote verschillen binnen de bevolking in functie van:

  • opleidings- en inkomensniveau;
  • multigeconnecteerd zijn: dalend gebruik van essentiële diensten bij gebruikers met alleen een smartphone!;
  • niveau van digitale vaardigheden.

Ongeveer 1 op 3 gebruikers vraagt hulp aan een derde partij bij uitvoeren van online handelingen:

  • jongeren vragen meer hulp dan ouderen: bijna 4 op de 10 jongeren (van 16 tot 24 jaar) tegenover 23% van 25- tot 54-jarigen;
  • gebruikers met een diploma lager secundair vragen het meest hulp: meer dan 1 op 2 (53%).

 

Ondertussen hebben we in Eeklo al enkele trajecten rond e-inclusie gevoerd: 

Op dit moment hebben we op 6 plekken digispreekuur:

  • AZ Alma: woensdag van 14.00 tot 16.00 uur; vrijdag van 9.00 tot 11.00 uur;
  • Bibliotheek: zaterdag van 10.00 tot 11.30 uur;
  • Buurthuis ’t Roze Blommeke: tweewekelijks op dinsdag van 14.00 tot 15.30 uur;
  • Wijkcentrum De Kring: woensdag van 10.00 tot 11.30 uur;
  • LDC Zonneheem: woensdag van 14.00 tot 15.30 uur;
  • Sportpark: tweewekelijks op dinsdag van 14.00 tot 15.30 uur.

In de bib, Wijkcentrum De Kring en LDC Zonneheem kan tijdens de openingsuren een laptop gebruikt worden. Op de andere plekken kan dat tijdens het digispreekuur.

Er zijn op dit moment 13 vrijwilligers, ze staan in voor wekelijks 11 uren digispreekuur.

Superdiversiteit

Atlas superdiversiteit

Terug naar navigatie - Superdiversiteit - Atlas superdiversiteit

“Een belangrijk facet van de toenemende superdiversiteit, is de toenemende diversiteit binnen de diversiteit. De groep van Vlamingen van niet-Belgische herkomst wordt steeds diverser, met tegelijk groeiende verschillen tussen én binnen gemeenschappen. Eén van de elementen van een groeiende diversiteit in de diversiteit is de toename van het aantal verschillende herkomstnationaliteiten.”
“Hoe jonger, hoe diverser is hier de conclusie. De aanwezigheid van mensen van niet-Belgische origine neemt af naar leeftijd. Hoe ouder een leeftijdsgroep, hoe kleiner de diversiteit, hoe jonger een leeftijdsgroep, hoe hoger de diversiteit in die leeftijdsgroep is. In Vlaanderen is drie op vier (76%) van de inwoners van Belgische herkomst, 24% is van niet-Belgische herkomst. Bij de minderjarige Vlamingen is 62% van Belgische herkomst, en heeft meer dan één op drie van de jongeren wortels in migratie (herkomst ouders meegerekend). Kijken we naar het aandeel jongeren (-24 jaar) met een migratieachtergrond, dan is de diversiteit veel groter dan wanneer we naar de hele bevolking kijken. De processen van spreiding en opschaling van diversiteit gaan dus bijna steeds samen met processen van verjonging van de bevolking, en een groeiende aanwezigheid van kinderen in een sector of gemeente. De nood aan voorzieningen of ruimte (om te spelen, voor opvang en onderwijs, voor sport …) worden dan eerder bepaald door de leeftijd en de verjonging van de populatie, dan door het feit dat een groeiende groep van die kinderen en jongeren van niet-Belgische herkomst zijn.”

Eeklo wordt in deze studie vooral in het zuiden getypologeerd als Type verstedelijkt en superdivers.
“De resultaten tonen dat een aantal woonkarakteristieken een duidelijk positieve en statistisch significante relatie hebben met de mate van superdiversiteit. Waar er meer inwoners wonen van niet-Belgische herkomst, vinden we vaker gesloten bebouwing, kleinere woningen, huurwoningen en meergezinswoningen. De aanwezigheid van privégroen is dan weer beperkter in deze sectoren. De parameters met betrekking tot de bouwjaren geven geen significant verband. Bij de omgevingskenmerken hangt de aanwezigheid van inwoners van niet-Belgische herkomst statistisch significant samen met een hogere inwonersdichtheid. Ook met het voorzieningenniveau is er een positieve correlatie, zowel voor het algemene voorzieningenniveau als voor specifiek de nabijheid van scholen, cultuur & sport, openbaar vervoer, zorgvoorzieningen en woonondersteunende voorzieningen. Omgekeerd zien we dat zeer diverse sectoren een veel kleinere aanwezigheid kennen van openbaar groen.”
“Zowel voor de woonkarakteristieken als voor de omgevingskarakteristieken kunnen we concluderen dat kenmerken die gerelateerd zijn aan een hogere mate van verstedelijking een positieve correlatie vertonen met superdiversiteit. Deze correlatie wijst niet noodzakelijk op een oorzakelijk verband. Deze analyse toont niet aan dat inwoners met een niet-Belgische herkomst liever stedelijk wonen. Andere factoren, zoals woningprijzen, zullen een sterke invloed hebben op de beschikbare keuze aan woningen met bepaalde woonkarakteristieken en omgevingskenmerken.”

(Uit: Vandekerckhove B., Geldof D., De Decker P., Vanhaeren R., Van Damme W., Van Hulle M., Schillebeeckx E., Balcaen R., (2022), Atlas Superdiversiteit Vlaanderen - Toekomstverkenningen: Ruimtelijke verkenning van een superdiverse samenleving; uitgevoerd in opdracht van Departement omgeving).

Resultaten van de Spearman correlatietest tussen omgevingskenmerken en het aandeel inwoners van niet-Belgische herkomst in 2020 (per statistische sector)

 

Armoede

Lokale Armoedebarometer 2024 - Decenniumdoelen

Terug naar navigatie - Armoede - Lokale Armoedebarometer 2024 - Decenniumdoelen

“Armoede in Vlaanderen stabiliseert 3de jaar op rij. Gericht armoedebeleid kan werken, maar moet versterkt verder gezet worden. Tegelijk dringen fundamentele beleidskeuzes zich op. 
Voor het derde jaar op rij stagneert het Vlaams armoedecijfer op 7,8%. Voor België zien we een daling van het armoederisico op een jaar tijd van 13,2% naar 12,3%, ondanks het feit dat de armoededrempel is gestegen door de inflatie. Voor Vlaanderen geldt echter de wet van de ‘remmende voorsprong’. Eens je een bepaald (laag) niveau hebt bereikt is het moeilijk om met verhogingen van de minima alleen nog veel effect te ressorteren. Wel zien we in Vlaanderen een opvallend sterke daling van de armoedekloof: van 18,2% in 2022 naar 12,2% in 2023. De inkomens van mensen onder de armoededrempel zijn dus verbeterd in vergelijking met de jaren ervoor.
Voor Decenniumdoelen is het duidelijk dat de omvangrijke overheidsmaatregelen zoals het optrekken van de sociale minima in de bijstand, de werkloosheid en de inkomensvervangende tegemoetkoming voor mensen met een handicap, de verhoging van de pensioenen en het minimumloon, maar ook enkele gerichte steunmaatregelen, zoals het sociaal energietarief, de derdebetalersregeling en de maximumfactuur in de gezondheidzorg, hebben gezorgd voor een stabilisering van de armoede in Vlaanderen en een lichte daling in België. Toch leven in Vlaanderen nog altijd zo’n 520.000 mensen in armoede en flirt 8% van de bevolking (meer dan een half miljoen) met de armoedegrens. Om vooruitgang te boeken en de Europese armoededoelstellingen te halen zijn dus aangehouden en versterkte inspanningen nodig. Daarnaast zijn specifieke en gerichte beleidsmaatregelen noodzakelijk om de ‘sociale rechten’ te waarborgen.

Sociale rechten steeds meer onder druk
Zo wordt sociale dienstverlening (kinderopvang, mobiliteit, sociale huisvesting …) steeds moeilijker toegankelijk, vooral voor mensen in de meest kwetsbare situaties (door strengere voorwaarden, beperkt aanbod, digitalisering …), waardoor hun deelname aan de samenleving in het gedrang komt. Daarnaast is het leven, vooral voor mensen met een laag inkomen, erg duur geworden (stijging huurprijzen, voedingsprijzen …). Foodbanks registreerde in totaal bijna 214.000 mensen die in 2023 één van de lokale Voedselbanken bezochten, een stijging met 2% ten opzichte van 2022. In 2023 zijn nog nooit zoveel mensen aan het werk geweest. Maar tegelijk is het armoederisico bij werkenden met een laag inkomen gestegen. Toeleiding naar jobs met lage lonen en minder goede arbeidsvoorwaarden kan dus leiden tot meer armoede.
Beleid dat radicaal wil inzetten op het uitroeien van armoede moet dan ook op diverse levensdomeinen tegelijk (inkomen, werk, gezondheid, onderwijs, wonen en samenleven) moedige keuzes durven maken met specifieke en gerichte maatregelen voor mensen met een laag inkomen.

Verbreding debat
Armoedebeleid mag ook niet los gezien worden van andere grote maatschappelijke uitdagingen (klimaat, ongelijkheid, democratie …). Klimaatmaatregelen mogen niet langer afgeremd worden, maar moeten vooral ook sociaal zijn, zodat ook de lage inkomensgroepen effectief worden meegenomen. De ongelijkheid moet aangepakt worden, waarbij steeds meer mensen in een situatie van economische onzekerheid belanden, terwijl een kleine groep rijken buitenproportionele winsten boekt. Het debat over eerlijke fiscaliteit mag niet langer taboe zijn om de ongelijkheid én de armoede te bestrijden.’

Welzijnsmonitor CAW

Terug naar navigatie - Armoede - Welzijnsmonitor CAW

CAW Oost-Vlaanderen maakte een Welzijnsmonitor op, via onderstaande indeling (3 factoren, 8 domeinen, 40 indicatoren):
 

Welbevinden Onafhankelijkheid Sociale participatie
Materieel welzijn (7) Zelfbeschikking/zelfbepaling (5) Interpersoonlijke relaties (4)
Fysiek welzijn (6) Persoonlijke ontwikkeling (5) Sociale inclusie (4)
Emotioneel welzijn (5)   Rechten (5)


In ELZ Meetjesland zien we de meeste KPI’s binnen de factoren Welbevinden, Onafhankelijkheid en Sociale Participatie bij de steden/gemeenten Eeklo, Zelzate, Maldegem en Assenede.
Bij factoren Welbevinden en Sociale Participatie zien we dat Eeklo, Zelzate, Maldegem en Assenede de meest ongunstige knipperlichten hebben. De precaire situatie van het welzijn gaat hand in hand met de precaire situatie van sociale inclusie. In de factor Onafhankelijkheid zien we een andere volgorde. Inwoners van Eeklo en Sint-Laureins, gevolgd door Zelzate en Aalter zijn hier het meest geraakt in hun onafhankelijkheid. 

“In Oost-Meetjesland is het welzijn en de sociale binding voor de inwoners van Eeklo, Zelzate en Assenede in 2023 al precair. In verhouding zijn de inwoners van Eeklo en Zelzate het minst aan het werk op productieve leeftijd. Deze kennen dan ook het grootste aandeel werkzoekenden en niet-beroepsactieven (dit zijn onder meer personen die arbeidsongeschikt zijn omwille van invaliditeit, personen met een leefloon of financiële hulp).
De 65-plussers nemen vooral toe in Oost-Meetjesland. Volgens de prognose daalt ook de mantelzorgratio. In 2040 zijn er naar verhouding 5,2 40-79-jarigen in ELZ Meetjesland ten opzichte van de 80-jarigen en ouder, in 2023 was dit nog 7,3. De evoluties op heel wat andere indicatoren binnen de factor Welzijn en Sociale Participatie voorspellen niet altijd beterschap. Een gedegen en toegankelijke dienst-, zorg- en hulpverlening dringt zich op. 
De bevolking groeit niet alleen maar verandert ook van samenstelling. De verhouding tussen het aantal private huishoudens en het aantal woongelegenheden komt in het gedrang. Dit zal zijn weerslag hebben op het woonbeleid. 
Migratiestromen bereiken ook ELZ Meetjesland waarbij ook een toename van de immigratie uit landen buiten de Europese Unie wordt verwacht. Migratie heeft vaak de kleur van polarisatie, discriminatie, armoede en uitsluiting. Een ‘succesvolle’ integratie is van cruciaal belang voor het welzijn, de welvaart en de cohesie van de inwoners van ELZ Meetjesland in de toekomst.”

Vrijetijdsinvulling

Vrije tijd algemeen

Terug naar navigatie - Vrijetijdsinvulling - Vrije tijd algemeen

"De participatie aan maatschappelijke bewegingen en gemeenschapsvormende verenigingen kent globaal een daling in 2009 en 2014 t.o.v. 2004 om vervolgens terug licht te stijgen in 2020. Cultuurverenigingen en sportverenigingen kennen een licht neerwaartse trend. Onder de waterlijn merken we dat het status quo vooral toe te schrijven is aan de hogere scholarisatiegraad en de vergrijzing van de bevolking. In tegenstelling tot de sportverenigingen slaagt het sociaal-culturele verenigingsaanbod er ook niet in de verschillende lagen van de bevolking beter te bereiken en stellen we zelfs vast dat de laagstopgeleiden meer en meer afhaken."

(Uit: Trends in vrijetijdsparticipatie 2004-2020 - Kenniscentrum Cultuur- en Mediaparticipatie, het Onderzoeksplatform Sport en het Jeugdonderzoeksplatform).

 

Bijna 6 op 10 inwoners van het Vlaamse Gewest van 18 jaar en ouder gaven in het najaar van 2024 aan actief lid te zijn van minstens 1 vereniging (56%). Het gaat om personen die lid zijn van een vereniging en minstens af en toe deelnemen aan de activiteiten van die vereniging. Het actief lidmaatschap is sinds 2021 vrij stabiel.
In 2024 was 35% actief lid van 1 soort vereniging, 14% van 2 soorten verenigingen en 7% van 3 of meer soorten verenigingen.

Sportverenigingen zijn het meest populair: 3 op de 10 inwoners waren in 2024 actief lid van een sportvereniging (31%). Dat aandeel bleef min of meer gelijk sinds 2021. Mannen zijn vaker actief lid van een sportclub of -vereniging dan vrouwen. In 2024 ging het respectievelijk om 34% en 27%. Het actief lidmaatschap bij sportverenigingen ligt hoger in de jongere leeftijdsgroepen dan bij de oudere groepen. Van de 65-plussers is 20% lid van een sportclub of vereniging, terwijl dat bij de 18- tot 34-jarigen en 35- tot 49-jarigen rond de 36% tot 38% is.
Ook naar opleidingsniveau is er een duidelijk verschil: hoger opgeleide personen zijn vaker actief lid van een sportclub (38%) dan lager opgeleiden (20%).

Daarna volgen hobbyverenigingen (8%), socio-culturele verenigingen (8%) en kunst-, toneel- of muziekverenigingen (6%).

Mannen zijn vaker actief lid van een vereniging dan vrouwen. Ongeveer 60% van de mannen is actief lid van minstens 1 vereniging, bij vrouwen is dat 52%. Naar scholingsgraad is het verschil het grootste: hooggeschoolden zijn veel vaker actief lid van een vereniging dan laaggeschoolden. In 2024 was 64% van de hooggeschoolden en 45% van de laaggeschoolden actief lid.
Naar leeftijd, huishoudpositie en urbanisatiegraad zijn er geen significante verschillen.

Cultuur

Terug naar navigatie - Vrijetijdsinvulling - Cultuur

"Voor de meeste uithuizige cultuurvormen stellen we stabiele of stijgende participatiecijfers vast ten opzichte van voorgaande metingen. Verschillende van deze trends zijn mee toe te schrijven aan veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Vooral de toename van het aandeel hoger opgeleiden levert een positieve bijdrage tot de stabiele of stijgende participatiecijfers. 
Een tweede belangrijke observatie is dat de sociale kloof in de receptieve participatie aan kunsten en erfgoed onverminderd blijft bestaan. Enkel bij bioscoopbezoek merken we een rekrutering in brede lagen van de bevolking, zij het met een overwicht van de jongere leeftijdsgroepen. Bijzonder opmerkelijk is dat de kloof tussen degenen met een diploma hoger onderwijs en de middenopgeleiden voor vele activiteiten verder toeneemt, wat vooral merkbaar is bij concerten, kunstmusea en erfgoed." 

(Uit: Trends in vrijetijdsparticipatie 2004-2020 - Kenniscentrum Cultuur- en Mediaparticipatie, het Onderzoeksplatform Sport en het Jeugdonderzoeksplatform).

 

CULTUURPARTICIPATIE
In het najaar van 2024 namen bijna 9 op de 10 inwoners van het Vlaamse Gewest van 18 jaar en ouder deel aan minstens 1 van 11 bevraagde culturele activiteiten (87%). Daarmee ligt dat aandeel op hetzelfde niveau als in 2023. In 2021 lag dat aandeel lager en ging het om 77% van de bevolking.
De totale groep van cultuurparticipanten kan opgedeeld worden in verschillende types van participanten. De ‘kernparticipanten’ participeren dagelijks of wekelijks aan 1 of meer activiteiten of participeren minstens 1 keer per maand aan 2 van de 11 activiteiten. In 2024 was ongeveer 11% van de bevolking een kernparticipant. De ‘belangstellende participanten’ zijn participanten die geen kernparticipant zijn. 76% van de bevolking behoorde in 2024 tot deze groep. Ten slotte zijn er de ‘non-participanten’. Zij namen in het jaar voorafgaand aan de bevraging aan geen enkele culturele activiteit deel. In 2024 ging het om 13% van de bevolking. De toename van de culturele participatie sinds 2021 uit zich zowel in een toename van het aandeel van de kernparticipanten als van de belangstellende participanten. Daardoor is de groep non-participanten kleiner geworden. In 2021 was 23% van de inwoners non-participant, in 2024 was dit nog 13%.
66% van de inwoners van het Vlaamse Gewest van 18 jaar en ouder gaven in 2024 aan tijdens het jaar voorafgaand aan de bevraging minstens 1 keer een bezienswaardig monument of gebouw te hebben bezocht. Deze activiteit kent daarmee de hoogste participatiegraad van de 11 bevraagde culturele activiteiten. Ook het bijwonen van een muziekoptreden, -concert of -festival (63%), een bezoek aan een museum, tentoonstelling of galerij (58%) en het bekijken van een film in de bioscoop (53%) waren behoorlijk populair. De participatiegraad was het laagst voor het bijwonen van een circusvoorstelling of een operavoorstelling.
Naar achtergrondkenmerken zijn er grote verschillen in cultuurparticipatie. Het meest uitgesproken verschil is te vinden naar leeftijd en opleidingsniveau. In de oudste leeftijdsgroep (65-plussers) participeerde 71% in 2024 aan cultuur. Dat aandeel ligt hoger in de jongere leeftijdsgroepen. Bij de 18- tot 34-jarigen gaat het om 97%.
Cultuurparticipatie stijgt met het opleidingsniveau: 72% van de laaggeschoolden deed in 2024 aan cultuurparticipatie. Bij de hooggeschoolden was dat 95%.
Ten slotte zijn er ook naar huishoudtypologie verschillen. Personen die alleen wonen participeren het minst aan cultuur (79%). De participatiegraad ligt het hoogst bij de personen die met kind(eren) en al dan niet met partner wonen en bij personen die bij ouders wonen (91% tot 93%).
Naar urbanisatiegraad en geslacht zijn er geen significante verschillen.

(Bron: SV-bevraging, Statistiek Vlaanderen)

Sport

Terug naar navigatie - Vrijetijdsinvulling - Sport

"De meest beoefende sport is het recreatief fietsen. Deze sport wordt op de voet gevolgd door wandelsport, fitness en loopsport. Vooral fitness is sterk gestegen in populariteit sinds 2014. De top 10 van meest beoefende sporten wordt verder vervolledigd door zwemmen, voetbal, tennis, badminton, wielertoerisme en tenslotte andere vormen van sportief fietsen (andere varianten zoals MTB, BMX, veldrijden, spinning …). De meerderheid van de sportbeoefenaars (73,8%) beoefent minstens één sport (ook) in niet georganiseerd verband, terwijl ook sportbeoefening in een unisportclub (sportclubs die op één sporttak focussen, zoals een voetbalclub of een tennisclub) met bijna een derde van de sporters (30,5%) hoog blijft scoren. De stijgende populariteit van fitness zien we ook weerspiegeld in de toenemende populariteit van sportbeoefening in commercieel verband. Daar waar het aandeel van de commerciële setting in 2009 nog 7,3% bedroeg, is dat gestegen naar 12,8% in 2014 en 21,3% in 2020. Andere sportsettings, zoals sportkampen en sportevenementen, scoren allemaal onder de tien procent, al is er een significante stijging van sportparticipatie in een multisportclub en buurtsport, tot respectievelijk 8,5% (van 5,4%) en 5,6% (van 2,4%) in 2020. Die stijging manifesteert zich sterker bij vrouwen dan bij mannen. Terwijl de openbare ruimte (outdoor of in de natuur met 41,6%, en de straat met 34,1%) nog steeds de meest geprefereerde sportlocaties zijn, zien we ten opzichte van 2014 een opvallende groei van sporthallen (van 18,0% naar 26,2%), fitnesscentra (van 16,2% naar 19,7%) en de eigen tuin of huis (van 8,4% naar 13,7%) als geliefkoosde plek om te sporten."

(Uit: Trends in vrijetijdsparticipatie 2004-2020 - Kenniscentrum Cultuur- en Mediaparticipatie, het Onderzoeksplatform Sport en het Jeugdonderzoeksplatform).

 

SPORTPARTICIPATIE
In het najaar van 2024 gaven bijna 9 op de 10 inwoners van het Vlaamse Gewest van 18 jaar en ouder aan minstens 1 keer per jaar aan sport te doen (89%). Dat aandeel is sinds 2021 stabiel gebleven. Sport wordt hier ruim opgevat. Het gaat ook om wandelen en fietsen. Niet al wie sport, doet dat met dezelfde frequentie. 64% deed in 2024 minstens wekelijks aan sport, 24% (bijna) dagelijks. De meest beoefende sporten waren eind 2024 wandelen en fietsen. Van de personen die minstens 1 keer per jaar aan sport doen, gaf 87% aan te wandelen. 64% gaf aan te fietsen. Jongeren gaven in 2024 vaker aan sport te beoefenen dan oudere leeftijdsgroepen. Van de 65-plussers doet 77% minstens 1 keer per jaar aan sport, in de jongere leeftijdsgroepen is dat meer dan 90%, met het hoogste aandeel (96%) in de groep 18- tot 34-jarigen. De sportparticipatie lag ook hoger bij hooggeschoolden (95%) dan bij laaggeschoolden (77%).

(Bron: SV-bevraging, Statistiek Vlaanderen)

 

In 2023 waren er in Eeklo per 10.000 inwoners 76 terreinen/gebouwen voor sportbeoefening:

  • grote sportterreinen: 5,4 / 10.000 inw
  • tennis- en padelterreinen: 13,4 / 10.000 inw
  • sporthallen: 2,7 / 10.000 inw
  • zwembaden: 1,3 / 10.000 inw.

Jeugdwerking

Terug naar navigatie - Vrijetijdsinvulling - Jeugdwerking

"Jongeren wensen net als andere leeftijdsgroepen via activiteiten in de vrije tijd sociale contacten te leggen en vrienden te ontmoeten, zich verder persoonlijk te ontwikkelen en zich te ontspannen. Ze onderscheiden zich evenwel van de oudere leeftijdsgroepen door het belang dat ze hechten aan fysieke uitdagingen en de ontwikkeling en beheersing van (fysieke) vaardigheden.
Maar liefst 39% van de jongeren geeft bovendien aan over te weinig vrije tijd te beschikken. Daarmee blijven ze wel onder het niveau van de 31- tot 45-jarigen of zij die zich in de drukke leeftijd bevinden, maar wel op gelijkaardig niveau als 46- tot 60-jarigen. Anderzijds stellen we vast dat een weliswaar kleine maar betekenisvolle groep van jongeren aangeeft over te veel vrije tijd te beschikken (12%). Mogelijk kan dat ook verbonden worden aan gevoelens van verveling of eenzaamheid bij een groep van jongeren. Hoewel jongeren hun vrije tijd vaker dan andere leeftijdsgroepen doorbrengen met vrienden, zien we bijvoorbeeld ook dat een niet onbelangrijk deel van de jonge Vlamingen (14,3%) aangeeft dat minder dan maandelijks te doen.

Jongeren vormen dus in vergelijking met andere leeftijdsgroepen een zeer actieve groep. Toch is er nog werk aan de winkel. Jonge Vlamingen rapporteren minder vaak op de hoogte te zijn van interessante vrijetijdsactiviteiten in de buurt dan de oudere leeftijdsgroepen. Dat geldt in het bijzonder voor meisjes en jonge vrouwen en voor jongvolwassenen van 18 tot 25 jaar. We stellen vast dat bij de jongeren tot 30 jaar bijna 15% aangeeft dat er weinig dingen te doen zijn in hun buurt voor mensen van hun leeftijd, bij de jongvolwassenen van 18 tot 25 jaar gaat het zelfs om een op de vijf (21%). Die jongvolwassenen geven ook vaak aan dat ze zich ver moeten verplaatsen voor interessante activiteiten (21%). Landelijk wonende jongeren geven eveneens meer aan dat ze zich ver moeten verplaatsen voor vrijetijdsactiviteiten. Ook de mogelijkheden in de woonbuurt hebben een impact op de vrijetijdskansen van jonge Vlamingen. Een kwart van de ouders vindt de buurt onvoldoende veilig om kinderen buiten te laten spelen. Ouders schatten de vrijetijdsmogelijkheden en voorzieningen in de buurt voor jongeren ouder dan 12 als minder goed in dan de mogelijkheden voor kinderen jonger dan 12. Een meerderheid van de ouders is het ermee eens dat er voldoende vrijetijdsmogelijkheden en speelvoorzieningen voor kinderen jonger dan 12 in hun buurt zijn, terwijl maar een derde van de ouders aangeven dat er geschikte plekken in de buurt zijn voor jongeren ouder dan 12 om in de publieke ruimte samen te komen."

(Uit: Trends in vrijetijdsparticipatie 2004-2020 - Kenniscentrum Cultuur- en Mediaparticipatie, het Onderzoeksplatform Sport en het Jeugdonderzoeksplatform).

Winkelen

Winkelen in de toekomst

Terug naar navigatie - Winkelen - Winkelen in de toekomst

In de toekomst zal winkelen een heel andere ervaring worden! Hier zijn enkele trends:

  • "Beleving centraal: Winkels zullen zich meer richten op het bieden van unieke ervaringen. Bijvoorbeeld, je kunt een winterjas testen in een ijskoude ruimte.
  • Kleinere winkels: Veel winkels zullen kleiner worden en minder fysieke voorraad hebben. In plaats daarvan kun je producten in de winkel bekijken en ze vervolgens online bestellen.
  • Persoonlijk advies: Het krijgen van persoonlijk advies zal belangrijker worden. Je kunt naar een winkel gaan voor advies en vervolgens zonder tassen naar huis gaan, omdat je aankopen thuis worden bezorgd.
  • Digitalisering: Technologie zal een grote rol spelen. Denk aan augmented reality (AR) om producten virtueel te passen of slimme spiegels die je outfit aanbevelingen geven.
  • Flexibele winkelinrichting: Winkels zullen flexibel ingericht zijn om snel aan te passen aan veranderende behoeften en trends.

In 2030 zullen er minder winkels zijn en verwachten we een nog grotere mix tussen winkelen, wonen, cultuur en horeca in stadscentra. Retailers zullen samen met ondernemersverenigingen totaalconcepten ontwikkelen waarbij shopping en leisure hand in hand gaan.

Shoppen is immers in de piramide van Maslow steeds verder omhoog geschoven en draait voornamelijk om plezier, sociale contacten en genieten. De winkelstraat van 2030 is dus voornamelijk een plek waar het draait om het hebben van een leuke dag (www.frankwatching.com)."

(Uit: retailmonitor 2024 van advieskantoor PwC; www.frankwatching.com en https://business.trustedshops.nl/)

 

E-commerce en schaalvergroting heeft het winkellandschap en onze manier van winkelen wezenlijk veranderd. 


1. Van winkelen in het stadscentrum, via baanwinkels naar omnichannel (Prof. Ann Verhetsel, Universiteit van Antwerpen - Masterclass Retail bij de Universiteit van Antwerpen / Locatus - oktober 2023)

"In de middeleeuwen begon het eenvoudig met één winkel, vaak met atelier in de woning van de ondernemer. Vooral na de tweede wereldoorlog openden succesvolle winkeliers meerdere winkels. Rond het jaar 2000 kwam daar de verkoop via e-commerce bij.
Men verkocht dan via meerdere kanalen, maar zonder dat die direct met elkaar verweven zijn (multichannel strategie). Denk bijvoorbeeld aan verkoop via een winkel én via een catalogus. Prijzen en assortiment konden van elkaar verschillen en waren vaak lastig te vergelijken.
Met de komst van het internet is het productaanbod veel beter te vergelijken. In deze transparante markt stappen steeds meer retailers over naar een omnichannel strategie, waarbij de verschillende kanalen verweven zijn en slim op elkaar afgestemd.

De retail bevond zich van oudsher in de stadscentra. Vanaf de jaren ’60 met de komst van voedingswarenhuizen (grote supermarkten) of DIY-zaken ontstond een tweede type, grootschalige retail concentratie aan de invalswegen. De bereikbaarheid met de auto en de beschikbaarheid van grote oppervlakten voor zelfbedieningswinkel met parking bepaalden de locatie.

De jaren 1980-2000 kenmerken zich door concurrentie tussen het stadscentrum en de stadsrand. Retailers kozen vaak voor het één of het ander, waarbij de stadscentra leegliepen. Maar vanaf 2000 kiest men steeds vaker voor een duale locatiestrategie: een kleinere winkel in het stadscentrum voor funshopping en een grote winkel aan de rand voor runschopping. Denk aan de mini-supers versus de grote supermarkten of de IkeaCity versus het woonwarenhuis Ikea.

Met de komst van het internet komt er nog een kanaal bij: de webwinkel, met bijhorende distributiecentra en pick-up punten. De duale locatiestrategie wordt aangevuld met sofashoppen, en gaat steeds meer over naar een multichannel of omnichannel systeem, waarbij de consumenten uit drie componenten kunnen kiezen."

Eén samenhangend geheel

"De consument denkt echter niet in ‘multichannel’, maar ziet een winkelformule als één geheel. Afhankelijk van het product, hun beschikbare tijd of het doel van de inkopen kiest men voor winkelen in het centrum, aan de rand van de stad of online. Meer en meer oriënteert men zich in het ene kanaal, koopt via een tweede kanaal en retourneert via het derde kanaal.
Om de klant de service te kunnen bieden die men zoekt – en zelf ook het overzicht te houden in voorraden en productaanbod – zijn de kanalen niet meer los van elkaar te zien. Het is van belang dat dit als één samenhangende geoliede machine werkt. De achterliggende logistiek wordt steeds complexer.
Ook de ‘pure online spelers’ merken dat één kanaal niet voldoende is en kiezen steeds vaker voor aanvulling met fysieke winkels."

 

2. De evolutie van het Belgische retaillandschap (Gertjan Slob, Directeur Onderzoek - Masterclass Retail bij de Universiteit van Antwerpen / Locatus - oktober 2023)

"De afgelopen 15 jaar zagen we het aantal kleinhandelspanden gestaag afnemen, terwijl het aantal winkelmeters in die periode steeg en de laatste jaren stabiliseert. Dit wil zeggen dat de gemiddelde grootte van een winkelpand flink is toegenomen. Dit zien we terug in de groei van de winkelmeters aan de stadsranden, waar de grote winkels, DIY-zaken en supermarkten zich vestigen.

Stadscentra hebben zichtbaar te lijden onder de populariteit van de grotere winkels aan de rand van de stad. Dit is ook terug te zien in de leegstandscijfers. Retailers zochten een plek buiten het centrum, terwijl relatief weinig handelspanden in stadscentra verdwijnen. Doordat de huren daar zo hoog liggen is het moeilijk om in de centra te transformeren naar wonen/kantoor.
Niet alle winkeltypes laten een zelfde afname in aantal panden zien. Waar de kleinhandel een jarenlange daling liet zien, zien we dat Leisure (waaronder de horeca) en Diensten (denk aan kappers) het beter doen. En ook binnen de kleinhandel zien we verschillen. De dagelijkse sector springt daar positief uit.

De supermarkten onttrekken zich aan de dalende trend in de detailhandel. Zij laten zowel in aantal panden als in winkelmeters een aanzienlijke groei zien. Ook hier heeft een verdere schaalvergroting plaatsgevonden. De gemiddelde supermarkt is van 855 m² naar 982 m² gegaan (+15%)."


3. Retail in de on-demand economie: fragmentatie van vraag & aanbod (Dr. Joris Beckers, Universiteit van Antwerpen - Masterclass Retail bij de Universiteit van Antwerpen / Locatus - oktober 2023)

"In de fysieke retail zien we twee ontwikkelingen: een afname van het aantal handelspanden en een toename van de gemiddelde winkelgrootte. Doordat de consument bij de grotere ketens ook online kan bestellen hoeft de retailer op minder locaties fysiek aanwezig te zijn in de winkelstraten. Om consumenten meer aan zich te binden gaan grote ketens voor een redesign van hun winkels met een omnichannel beleving.
Per branche en winkelformule zijn flinke verschillen in aandeel van online. 57% van de retailers heeft een online aandeel van maximaal 5%.

Door de groei van e-commerce wordt het logistieke traject steeds complexer. Kleine partijen kiezen er daarom voor om hun assortiment via een e-commerce platform te verkopen. Verder is het maar voor weinig partijen rendabel om de logistiek in eigen hand te nemen, dus valt de keuze meestal op outsourcing van het logistieke traject.

“Vandaag besteld, morgen in huis” vindt men heel gewoon, waarbij een deel van de fun een vlotte levering is. Deze verwachting zet een grote druk op het logistieke traject.
Consumenten bestellen steeds vaker en gevarieerder online, waarbij de Covid-19 periode België op het niveau van zijn buurlanden bracht.
Consumenten plaatsen bij veel verschillende partijen kleinere bestellingen, hetgeen effectieve logistiek heel lastig maakt. Niet alleen zijn er veel webwinkels, maar ook veel vervoerders. Het kan zo zijn dat twee of drie keer op een dag de bel gaat van een pakketbezorger. Voor jezelf of voor de buren: iedere keer weer een andere transporteur met een klein pakketje."

 

4. Vraatzucht en honger: hoe de winkelomgeving ons eetgedrag beïnvloedt (Dr. Jeroen Cant, Universiteit van Antwerpen - Masterclass Retail bij de Universiteit van Antwerpen / Locatus - oktober 2023)

"Waarom we eten wat we eten?

Wat bepaalt wat we eten? Welke factoren spelen hierbij een rol?

  • wat we graag eten / lekker vinden;
  • wat handig bereikbaar is (winkels en horeca in de buurt);
  • wat beschikbaar is (de snackautomaat op de universiteit );
  • wat aanvaardbaar is (eet je halal of vegetarisch dan is je keuze veel beperkter);
  • wat betaalbaar is (ongezond is vaak goedkoper dan gezond).

Problematische voedselomgevingen: voedselwoestijnen en voedselmoerassen
Wat we eten wordt grotendeels bepaald door wat eenvoudig en betaalbaar verkrijgbaar is. De snack in de voetbalkantine is vaak goedkoper en beter verkrijgbaar dan de salade. Het is dus problematisch als er weinig aanbod is van gezonde voeding (voedselwoestijn) of juist een overaanbod aan ongezonde voeding (voedselmoeras). Voedselwoestijnen ontstaan door weinig gezonde voedingswinkels of horeca in de buurt, of doordat men nauwelijks kan reizen door bijvoorbeeld ouderdom of gebrek aan vervoer. 

 Voedselwoestijn  Voedselmoeras
Lokaal gebrek aan gezonde voeding Overaanbod van ongezonde voeding
Moeilijk zware verse boodschappen over langere afstand mee te nemen Verleid door de gemakkelijke, goedkope vette hap
Buurten met een lage SES (laag inkomen/ lage opleiding) Buurten met een lage SES (laag inkomen/ lage opleiding)

Onderzoek wijst uit dat er in Vlaanderen in laag socio-economische omgevingen vooral voedselwoestijnen zijn aan de randen van steden. De afstanden tot gezonde voeding zijn evenwel het grootst in de suburbane rand. Dit werd nooit ervaren als een probleem wegens de zeer mobiele bevolking. Dezelfde gebieden zijn echter snel aan het verouderen. Dit is onderzocht door via Locatus data de horeca en verkooppunten van voeding in kaart te brengen.
Bijna heel Vlaanderen is een voedselmoeras. In steden word je gebombardeerd met pizzeria’s, snackbars, enz. Verder gaat het bij de meeste bezorgopties ook om ongezond eten.

Hoe kunnen we zorgen dat men gezonder eet?
Er zijn verscheidene manieren om de bereikbaarheid van gezonde voeding te verhogen.
Zo kan er worden gezorgd voor openbaar vervoer tussen voedselwoestijnen en supermarkten. Of men kan voeding terug naar de woongebieden brengen, bijvoorbeeld door rijdende winkels, markten, of kleinere supermarktformats. Deze eerder traditionele oplossingen zijn echter duur en/of weinig gebruiksvriendelijk. Ze zijn bijvoorbeeld slechts beschikbaar op een beperkt aantal momenten.
E-commerce met thuisbezorging botst op gelijkwaardige problemen. E-commerce met belevering via pick-up points en/of kleine winkels is daarentegen flexibeler en goedkoper. Voor dit echter een realistische optie wordt, moet eerst een koude keten netwerk worden ontwikkeld.
Verder moet ook tegemoetgekomen worden aan de digitale kloof tussen ouderen en jongeren, om zo een bredere doelgroep aan te spreken.

Ongezond eten ontraden kan op verscheidene manieren.
Zo kan er bewustzijn worden gecreëerd, bijvoorbeeld door kinderen op een speelse manier in aanraking te brengen met gezonde voeding in voedselbossen en pluktuinen.
Reclame met ongezonde voeding kan aan banden worden gelegd, zoals het verbod op fastfoodreclame op het Londense openbaar vervoer.
Er kunnen ook maatregelen worden opgenomen in planningsrichtlijnen. In het Verenigd Koninkrijk hebben verscheidene lokale besturen bijvoorbeeld al een verbod op nieuwe fastfoodzaken in schoolomgevingen.
Actief op zoek gaan naar ondernemers met een gezond concept is een positief alternatief. De huidige ongezonde omgevingen zullen echter nog lang blijven bestaan, ongeacht het beleid."

E-commerce

Terug naar navigatie - Winkelen - E-commerce

Bij ondernemingen met minstens 250 werknemers werd in de jaren 2023-2024 gemiddeld 39% van de omzet gerealiseerd via e-commerce. In de ondernemingen met 50 tot 249 werknemers is dat nog 20%. Bij de kleinere ondernemingen is het aandeel van de omzet dat via e-commerce wordt gerealiseerd een stuk kleiner: 7% bij de ondernemingen met 2 tot 9 werknemers en 11% bij de ondernemingen met 10 tot 49 werknemers.
België (28%) behoort, samen met Denemarken, Tsjechië, Finland, Ierland en Zweden tot de EU-landen waar e-commerce het grootste aandeel uitmaakt van de totale omzet van de ondernemingen.

(Bron: Enquête ICT-gebruik en e-commerce bij ondernemingen Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen)

Werk

Trendrapport 2023: Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt

Terug naar navigatie - Werk - Trendrapport 2023: Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt

Personen met een niet EU-27 migratieachtergrond 
De werkzaamheidsgraad steeg van 56,6% in 2008 naar 62,7% in 2022 en de werkloosheidsgraad daalde van 14,7% in 2008 naar 8,6% in 2022. Deze veranderingen gaan gepaard met een demografische verandering: het aandeel hooggeschoolden is sterk toegenomen, van 26,8% in 2008 naar 33,0% in 2022. De verschillen tussen personen geboren binnen de EU-27 (maar niet in België) en personen geboren in België zijn in 2022 bijna verdwenen. Werkzoekende personen geboren buiten de EU-27 vinden iets minder snel werk vanuit werkloosheid dan personen geboren in België. 
De deelname aan opleiding van personen geboren buiten de EU-27 doorheen de tijd is heel stabiel, net als de deelname van personen geboren in België en in de EU-27. Van de personen geboren buiten de EU-27 kwam 11,0% (ooit) naar België in het kader van werk. Veruit de meerderheid van deze groep kwam (ooit) naar België in het kader van asiel (21,9%) of in het kader van gezinshereniging (55,8%). Van de personen geboren in een EU-27-land kwam 27,9% in het kader van werk, maar was het aandeel gezinsherenigers ongeveer even hoog: 56,6%. 

 

Vrouwen 
We zien bij vrouwen een uitgesproken stijgende trend in werkzaamheidsgraad de afgelopen jaren. Deze werd enkel kort onderbroken door de bankencrisis en door de COVID-19-pandemie. In 2022 bedroeg de werkzaamheidsgraad bij vrouwen 73,2%. Tegelijk stellen we vast dat de vrouwelijke werkzaamheidsgraad minder conjunctuurgevoelig is dan die van mannen. Meer conjunctuurgevoelige sectoren als bouw en industrie worden nog steeds door mannen gedomineerd, terwijl in sectoren zoals de menselijke gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en het onderwijs vrouwen oververtegenwoordigd zijn. De kloof in werkzaamheidsgraad tussen mannen en vrouwen wordt gestaag kleiner, maar er blijft wel een andere belangrijke kloof bestaan: vrouwen werken veel vaker deeltijds dan mannen. We stellen verder ook vast dat vrouwen (2,1%) minder vaak werkloos zijn dan mannen (maar ook een lagere uitstroom naar werk laten optekenen), en vaker niet-beroepsactief zijn. In 2022 was 29,4% van de vrouwen niet-beroepsactief.

 

Jongeren (15-24 jaar)
In 2022 stijgt het aantal jongeren tussen 15 en 24 jaar met ruim 12.000 personen. Dat is goed nieuws in het licht van de krapte op de Vlaamse arbeidsmarkt. De werkzaamheidsgraad van jongeren stijgt van 29,9% in 2021 naar 32,3% in 2022, en zo komt het cijfer van 33,4% in 2019, voor de coronacrisis, terug in zicht. Een verklaring voor deze stijgende werkzaamheidsgraad ligt in het toenemende aantal jongeren met een studentenjob. Na een verontrustende stijging in de jeugdwerkloosheid in 2021, neemt het aandeel werkloze jongeren terug af. In 2022 bedraagt de jeugdwerkloosheidsgraad bij 15- tot 24-jarigen 11%, ten opzichte van 13,5% in 2021. In 2022 herstelt de tewerkstelling van jongeren zich verder: het aantal werkende jongeren groeit met 10% ten opzichte van 2021. Verder neemt het aantal jongeren met een vast contract in 2022 terug toe, maar het cijfer ligt nog altijd 11,1% lager dan in 2019. Het absoluut aantal jongeren met een tijdelijk contract blijft sterk groeien. 

 

NEET-Jongeren
NEET-jongeren zijn jongeren die niet werken en geen onderwijs, opleiding of training volgen. Deze groep jongeren wordt doorgaans gekenmerkt door een hoge kwetsbaarheid. Die kwetsbaarheid kan op lange termijn gevolgen hebben: jongeren die voor een langere periode noch werken noch een opleiding volgen, zijn ook in hun latere levensfases vaker werkloos of niet-beroepsactief. Behalve kwetsbaarheid, wordt deze deelpopulatie van jongeren ook gekenmerkt door een grotere conjunctuurgevoeligheid. Echter, ondanks de turbulente periode van de COVID-19-pandemie werd deze groep in 2022 opnieuw kleiner in aantal en aandeel. Het aandeel NEET-jongeren zet zo de neerwaartse trend van de afgelopen jaren verder. In Vlaanderen zijn er in 2022 ongeveer 73.000 jongeren tussen 15 en 29 jaar die zich in een NEET-situatie bevinden. De arbeidsmarktpositie van NEET-jongeren blijft precair, zeker omdat meer kwetsbare arbeidsmarktprofielen (zoals jongeren geboren buiten de EU-27, kortgeschoolden en jongeren die hinder ervaren door een aandoening, handicap of ziekte) nog steeds oververtegenwoordigd zijn binnen de NEET-groep en ook een grotere afstand tot de arbeidsmarkt laten optekenen. De 15- tot 29-jarige NEET bestaan voornamelijk uit niet-beroepsactieven zonder arbeidswens (49,3%). Zij staan zo vrij veraf van het vinden van aansluiting met de Vlaamse arbeidsmarkt. Ondanks het positieve nieuws van de gedaalde NEETratio in Vlaanderen, is het aandeel NEET-jongeren met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt bovendien toegenomen tussen 2021 en 2022 (van 47,7% naar 49,3%). Het blijft daarom belangrijk om deze NEET-jongeren verder op te volgen en te begeleiden richting een duurzame positie in de samenleving.

 

55-plussers 
De vergrijzing van de samenleving zet zich zeker nog tot 2040 door, dat maakt ook dat de arbeidsmarktparticipatie van de 55-plussers nog lang en in toenemende mate een belangrijk thema is. Deze arbeidsmarktparticipatie gaat alvast sinds 2008 in crescendo: de werkzaamheidsgraad van de 55-plussers nam over deze periode met maar liefst 25,2 procentpunt toe. Deze sterke groei is echter ook een indicatie dat er nog marge voor verbetering is. Tot de leeftijd van 58 jaar blijft de werkzaamheidsgraad op een relatief hoog niveau, daarna gaat het echter snel bergaf. De werkloosheidsgraad van de 55-plussers bereikte in 2022 zijn absolute dieptepunt. Eenmaal in de werkloosheid, is de uitstroom naar werk van oudere werkzoekenden echter wel bijzonder laag in vergelijking met jongere leeftijdsgroepen. Daarnaast is er ook op vlak van opleiding nog steeds een grote generatiekloof terug te vinden. 

 

Kortgeschoolden 
Het aandeel kortgeschoolden op beroepsactieve leeftijd neemt al jaren in snel tempo af. Terwijl in 2008 28,4% als dusdanig gecategoriseerd werd, vertegenwoordigde deze groep in 2022 nog slechts 14,6%. De hoge uitstroomcijfers binnen de oudere leeftijdscategorieën, waarbinnen kortgeschoolden oververtegenwoordigd zijn, bieden in hoofdzaak een verklaring. In 2022 was 51,3% van de kortgeschoolde volwassenen aan het werk ten opzichte van 78,4% en 89,7% bij respectievelijk midden- en hooggeschoolden. Vooral vrouwelijke kortgeschoolden, kortgeschoolden geboren buiten de EU-27 en kortgeschoolden jonger dan 55 jaar kenden een terugval in werkzaamheid in 2021 en 2022 vergeleken met voorgaande jaren. In 2022 bedroeg de werkloosheidsgraad van kortgeschoolden 5,9%, meer dan drie keer zo hoog als die van hooggeschoolden (1,6%). De kwetsbare positie van kortgeschoolden op de huidige arbeidsmarkt impliceert tevens een hoger risico op langdurige werkloosheid. In 2022 was 53,1% van de kortgeschoolde werkzoekenden langer dan één jaar op zoek naar werk. Ook wat betreft levenslang leren zijn kortgeschoolden in 2022 ondervertegenwoordigd in de cijfers. 

 

Personen met een arbeidshandicap 
558.000 Vlamingen, wat overeenkomt met 13,3% van de bevolking tussen 15 en 64 jaar, ondervinden langdurige hinder bij het werken of in hun dagelijks leven door een handicap, aandoening of ziekte. In 2022 was 46,5% van de Vlamingen tussen 20 en 64 jaar met langdurige hinder door handicap, aandoening of ziekte aan het werk. Dit is een lichte daling ten opzichte van 2021. Deze groep is veel vaker deeltijds aan het werk dan de groep die geen langdurige hinder ondervinden. 

 

Arbeidsreserve
De Vlaamse arbeidsmarkt staat onder druk. De krapte op de arbeidsmarkt neemt al enkele jaren toe. Om tegemoet te komen aan de toenemende arbeidsvraag zit er naast de werklozen ook nog heel wat arbeidspotentieel verscholen bij niet-beroepsactieven. Indien we erin slagen om de groepen die het dichtst bij de arbeidsmarkt staan (werklozen, de zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven en de niet-beroepsactieven die zichzelf percipiëren als werkend of werkloos) aan de slag te krijgen bovenop de werkende populatie van 2022, dan zou de werkzaamheidsgraad op 81% liggen. Vlaanderen zou hiermee in één klap de aansluiting vinden met de Europese toplanden op vlak van werkzaamheidsgraad en tegelijkertijd wordt de werkzaamheidsdoelstelling van 80% behaald. Vooral bij de meest kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt is er veel progressiemarge. Deze groepen hebben een lagere werkzaamheidgraad dan gemiddeld, maar doordat ze oververtegenwoordigd zijn in de potentiële arbeidsreserve is er nog veel groei mogelijk.

 

Huishoudpositie 
Samenwonende partners met drie of meer kinderen en zij die aan het hoofd staan van een éénoudergezin zijn vaker niet-beroepsactief en kortgeschoold. 
De hoogte van de werkzaamheidsgraad wordt bovendien ook bepaald door onder andere het geslacht. Zo blijven ouderschap en de bijhorende sociale normen rond gezins- en huishoudelijke taken een invloed hebben op de arbeidsmarktparticipatie, zowel qua deelname (genderkloof in de werkzaamheidsgraad) als de manier van deelname (vrouwen werken opvallend vaker deeltijds). Vrouwen zullen veel vaker dan mannen de arbeidsmarkt (tijdelijk) verlaten bij gezinsuitbreiding, en dan vooral in geval van vrouwen geboren buiten EU-27. De kloof neemt dan toe naarmate het aantal kinderen in het huishouden stijgt. De kwetsbaarheid op basis van de socio-demografische samenstelling, wordt ook weerspiegeld in de opleidingsdeelnamecijfers. Met uitzondering van de samenwonende met partner en zonder kinderen, kennen alle besproken huishoudposities een verbetering van hun participatiegraad tussen 2021 en 2022. De sterkste toename is terug te vinden bij éénoudergezinnen. Alleenstaande moeders of vaders gaan met 6 procentpunt vooruit op vlak van opleidingsdeelname na de sterke terugval tussen 2019 en 2021. Ze steken zo de samenwonende partners met drie of meer kinderen voorbij.”

(Uit: Botterman, S., Geraert, F., & Vansteenkiste, S. (Red.) (2023). Trendrapport 2023: Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt (Werk.Rapport 2023 nr.1). Brussel/Leuven: Departement Werk en Sociale Economie/Steunpunt Werk).

Klimaatuitdagingen

Klimaatadaptatie

Terug naar navigatie - Klimaatuitdagingen - Klimaatadaptatie

‘Klimaatadaptatie’ houdt in dat we ons aanpassen aan de al optredende en toekomstige gevolgen van de klimaatverandering (hittestress, wateroverlast en overstroming, langdurige periodes van droogte …). Voorbeelden van zulke maatregelen zijn ontharden zodat het water kan infiltreren, ruimte maken voor water om wateroverlast te beperken, koelteplekken creëren tegen hittestress … Hieronder staat het overzicht van de belangrijkste te verwachten klimaatimpacts op de stad Eeklo.

Het actieplan omvat 6 grote actiedomeinen, met elk een aantal actiepunten:

Politiek draagvlak, beleid en afstemming van stadsdiensten
Actiepunt 1.1 Maak klimaatadaptatie een expliciet onderdeel van het meerjarenplan.
Actiepunt 1.2 Prioriteren van de acties, en budgetteren van de investerings- en beheerskosten.
Actiepunt 1.3 Opzetten en uitwerken van het interne klimaatteam van de stad.
Actiepunt 1.4 Integreer het klimaatadaptatieplan in (lopende) ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Actiepunt 1.5 Benoem de ambitie om hemelwaterneutrale stadsprojecten te realiseren.
Actiepunt 1.6 Stel ambitieuze doelstellingen over de hoeveelheid groen op en rond de nieuwe doortocht van de N9.
Actiepunt 1.7 Leg ambities met betrekking tot klimaatadaptatie vast in politieke besluiten.
Actiepunt 1.8 Evalueer (en herbekijk) het subsidie- en premiestelsel.
Actiepunt 1.9 Bestudeer de mogelijkheden in het kader van ecosysteemdiensten geleverd door de landbouw.
Actiepunt 1.10 Uitwerken van een (ruimtelijk) normeringsinstrument voor duurzaam hemelwaterbeheer.
Actiepunt 1.11 Systematisch gebruik van een klimaat- en duurzaamheidstoets.
Actiepunt 1.12 Stimuleren van duurzamer watergebruik door normering en kaders.

 

Kennisopbouw
-    Kennisopbouw rond klimaatimpacts:
Actiepunt 2.1 Inventariseren van wateroverlast, riooloverstorten en andere klimaatimpacts. 
Actiepunt 2.2 Betrek burgers bij metingen. 

-    Kennisopbouw bij stadsdiensten:
Actiepunt 2.3 Verderzetting van de kennisuitbouw rond klimaatadaptatie bij de stadsdiensten. 
Actiepunt 2.4 Versterken van de interne communicatie en samenwerking rond klimaatadaptatie. 
Actiepunt 2.5 Opnemen van een rekeninstrument om gebouwen en terreinen hemelwaterneutraal in te richten. 
Actiepunt 2.6 Kennisopbouw duurzame en innovatieve ruimtelijke inrichting en gebouwen. 

-    Toegepast studiewerk:
Actiepunt 2.7 Kies studiebureaus op basis van referenties en visies in het kader van klimaatadaptatie. 
Actiepunt 2.8 Samenwerking en overleg met Aquafin en buurgemeenten in het kader van het hemelwaterplan. 
Actiepunt 2.9 Verder uitbouwen van een doelgerichte exoten- en plagenbestrijding. 

-    In kaart brengen van opportuniteiten en noden rond klimaatadaptatie:
Actiepunt 2.10 Inventariseer de mogelijkheden in het kader van klimaatadaptatie in het openbaar domein. 
Actiepunt 2.11 Inventariseer de mogelijkheden in het kader van klimaatadaptatie in en rond het stadspatrimonium. 
Actiepunt 2.12 In kaart brengen van lokale en regionale (alternatieve) waterbronnen. 

 

Implementatie
-    Inrichting openbaar domein in bebouwde kern:
Actiepunt 3.1 Loskoppelen van straten, pleinen en parkings van de riolering. 
Actiepunt 3.2 Waterrobuuste inrichting van straten, pleinen en parkings. 
Actiepunt 3.3 Realisatie van meer openbaar groen in het stadscentrum. 
Actiepunt 3.4 Ga op zoek naar ‘gedeeld groen’ in het stadscentrum. 
Actiepunt 3.5 Maak boom- en plantvakken meer zelfvoorzienend. 
Actiepunt 3.6 Installeer gevelgroen en groenslingers in de smalle straatjes in het centrum. 
Actiepunt 3.7 Installatie van verkoelende elementen (tijdens hittegolven). 

-    Stadspatrimonium: 
Actiepunt 3.8 Loskoppelen van verharding van stadsgebouwen van de riolering. 
Actiepunt 3.9 Afkoppelen van de overloop van hemelwaterputten naar groen. 
Actiepunt 3.10 Uitbouw van passieve koeling aan stadsgebouwen. 

-    Riolering: 
Actiepunt 3.11 Verdere uitbouw van het gescheiden rioleringsstelsel. 
Actiepunt 3.12 Aanpakken van knelpunten in het bestaande rioleringsstelsel. 

-    Stimuleren van implementatie op privaat domein:
Actiepunt 3.13 Afkoppeling van verharde oppervlakte op privaat domein. 
Actiepunt 3.14 Organiseer / promoot (gezamenlijke) hemelwaterscans. 
Actiepunt 3.15 Klimaatrobuuste inrichting van speelplaatsen van scholen. 

-    Maatregelen in de open ruimte en natuur:
Actiepunt 3.16 Uitbouw van een coherent groenblauwnetwerk. 
Actiepunt 3.17 Trek de groene assen zo ver mogelijk door tot in het centrum.
Actiepunt 3.18 Zet in op het herstel van de historische noord-zuid grachtstructuur. 
Actiepunt 3.19 Versterk natuurverbindingsgebieden en ecologische infrastructuren. 
Actiepunt 3.20 Versterk de bestaande bos- en natuurgebieden. 
Actiepunt 3.21 Opstellen en gebruiken van een ecologisch bermbeheerplan. 

 

Communicatie en sensibilisering
Actiepunt 4.1 Maak klimaatadaptatie zichtbaar in het straatbeeld. 
Actiepunt 4.2 Bekendmaking van het klimaatadaptatieplan. 
Actiepunt 4.3 Gerichte communicatie en ondersteuning naar scholen. 
Actiepunt 4.4 Organiseer ludieke promotieactiviteiten. 
Actiepunt 4.5 Uitwerken van een voorbeeldfolder met 'good practices' rond klimaatadaptatie. 
Actiepunt 4.6 Stel een warmteactieplan op.

 

Netwerk en partnerships
Actiepunt 5.1 Verder verbreden van het professionele netwerk rond klimaatadaptatie. 
Actiepunt 5.2 Opzetten van een specifiek participatietraject voor grote perceeleigenaars. 
Actiepunt 5.3 Klimaatadaptatie in de landbouw stimuleren en ondersteunen. 
Actiepunt 5.4 Oprichting van een ‘denktank’ gericht op klimaatadaptatie.

 

Monitoring, evaluatie en bijsturing
Actiepunt 6.1 Permanente monitoring van indicatoren rond klimaatadaptatie. 
Actiepunt 6.2 Regelmatige bijsturing van het klimaatadaptatieplan .

(Uit: Sumaqua, Klimaatadaptatieplan Eeklo. Studie uitgevoerd in opdracht van Stad Eeklo en Provincie Oost-Vlaanderen (2019))

Klimaatmitigatie

Terug naar navigatie - Klimaatuitdagingen - Klimaatmitigatie

De term ‘klimaatmitigatie’ verwijst naar maatregelen die de uitstoot van broeikasgassen verminderen en pakt zo dus de oorzaak van de klimaatverandering aan. Voorbeelden van zulke maatregelen zijn de omschakeling naar hernieuwbare energie, stimuleren van duurzame mobiliteit, bosbehoud en herbebossing …

Plannen

Terug naar navigatie - Klimaatuitdagingen - Plannen

We maakten in april 2018 een SECAP – Duurzaam energie- en klimaatactieplan Stad Eeklo – op, waarbij het de bedoeling is om tegen 2030 de CO2-uitstoot met 63% te verminderen, opgesplitst in veel acties richting diverse doelgroepen (landbouw, bedrijven, eigen organisatie, huishoudens ...). 

Daarnaast ondertekende Eeklo het Lokaal Energie- en Klimaatpact 1.0, 2.0 en 2.1.

Vlaanderen en de lokale besturen hebben de handen in elkaar geslagen om samen de nodige transitie in het energie- en klimaatbeleid waar te maken. Ze zijn gestart met het LEKP 1.0 om een nieuw ecosysteem uit te bouwen, waarbij lokale stakeholders, lokale besturen en het Vlaamse niveau nauwer samenwerken. Tegen eind oktober 2021 hadden 293 van de 300 lokale besturen het LEKP 1.0 ondertekend (waaronder Eeklo). Door de aangescherpte Europese Klimaatambities (‘Fit for 55’) besliste de Vlaamse regering in november 2021 over een pakket extra maatregelen om de CO2-uitstoot sterker te verminderen. Daarbij werd ook de rol van de lokale besturen herbevestigd en nieuwe doelstellingen voorgesteld. Vervolgens heeft de Vlaamse overheid in overleg met VVSG een voorbereidend traject doorlopen om te komen tot een vernieuwd LEKP 2.0.
In het najaar van 2022 werden we geconfronteerd met een energiecrisis. Deze crisis maakte duidelijk dat we nog te afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen. Daarom werd op 16 december 2022 het LEKP 2.1 goedgekeurd door de Vlaamse regering als addendum op het LEKP 2.0. Door de oorlog in Oekraïne en bijgevolg de energiecrisis dreigen steeds meer huishoudens geconfronteerd te worden met energiearmoede. Op wijkniveau kunnen oplossingen op maat uitgewerkt worden om versneld te renoveren en meer hernieuwbare energie toegankelijk te maken via energiegemeenschappen. Eeklo engageerde zich in 2023 voor LEKP 2.0 en 2.1.

 

Lokale besturen engageren zich in het kader van LEKP 1.0 om: 

  • het Burgemeestersconvenant 2030 te ondertekenen en uit te werken;
  • een gemiddelde jaarlijkse primaire energiebesparing van minstens 2,09% te realiseren in hun eigen gebouwen (inclusief technische infrastructuur, exclusief onroerend erfgoed);
  • een reductie van de CO2-uitstoot van hun eigen gebouwen en technische infrastructuur met 40% in 2030 ten opzichte van 2015 te realiseren;
  • tegen ten laatste 2030 de openbare verlichting te verLEDden;
  • het draagvlak voor hernieuwbare energie te verhogen, geen heffing op hernieuwbare energie-installaties in te voeren en bestaande, zoals de heffing op pylonen van windmolens, af te bouwen tegen ten laatste 2025;
  • lokale warmte- en sloopbeleidsplannen op te maken;
  • burgers, bedrijven en verenigingen te stimuleren om samen met het lokaal bestuur de concrete en zichtbare streefdoelen uit de 4 werven van het Pact te behalen (zie figuur hieronder).

 

Lokale besturen engageren zich in het kader van LEKP 2.0 bijkomend:

  • de doelstelling m.b.t. CO2-reductie voor eigen gebouwen en technische infrastructuur wordt verhoogd van -40% naar -55% CO2-emissies tegen 2030 t.o.v. 2015. De scope van deze doelstelling voor CO2-reductie wordt daarnaast uitgebreid naar eigen mobiliteit. De primaire energiebesparingsdoelstelling wordt aangescherpt naar -3% per jaar vanaf 2023. De doelstelling dient op entiteitsniveau en niet per individueel gebouw of voertuig bekeken te worden om zo kostenefficiënt mogelijk de lange termijnklimaatdoelstellingen te halen.
  • geen nieuwe principiële schepencollege- of gemeenteraadsbeslissing meer te nemen m.b.t. lokale heffingen op elektriciteitsmasten en sleuven van ELIA;
  • aanpassingen in de streefdoelen onder de 4 werven (basis verder):
    • nieuwe uitdaging onder Werf 2:
      • 25 fossielvrije renovaties onder de 50 collectieve renovaties per 1.000 wooneenheden tegen 2030;
      • inwoners van 50 per 1.000 wooneenheden worden uitgenodigd voor een klimaattafel ter bespreking van een wijkgerichte aanpak (met een focus op de synergie tussen de 4 werven) voor einde 2024;
    • nieuwe uitdaging onder Werf 3:
      • 1,5 (semi-) publieke laadequivalenten per 100 inwoners (99.000 laadpunten(CPE)) tegen 2030.

 

Lokale besturen engageren zich in het kader van LEKP 2.1 bijkomend (nieuwe uitdaging Werf 2):

  • realisatie van minstens één thematisch wijkverbeteringscontract waarbinnen een collectieve renovatie wordt gefaciliteerd voor einde 2025. Een thematisch wijkverbeteringscontract kenmerkt zich door 4 elementen: (i) het is gericht op de uitvoering van een collectieve renovatie, (ii) het betreft een nieuwe samenwerkingsvorm, (iii) binnen een specifieke wijk, (iv) met oog voor sociale diversiteit;
  • opmaak van een voorgesteld renovatietraject op maat van elke bewoner waar de klimaattafel georganiseerd wordt, voor 50 per 1.000 huishoudens en dit voor einde 2025;
  • een verdubbeling en versnelling voor de doelstelling: ‘1 coöperatief/participatief hernieuwbaar energieproject per 500 inwoners tegen 2030’: minstens 36 kWp in plaats van 18 kWp per 500 inwoners, waarvan 18 kWp per 500 inwoners wordt gerealiseerd voor einde 2025;
  • toegang tot de activiteiten van een energiegemeenschap operationaliseren voor 1 per 500 inwoners voor einde 2025.

Subsidies voor het LEKP worden afgebouwd vanaf 2025 en vallen eind 2026 volledig weg, terwijl verschillende doelstellingen nog lopen tot 2030.

Belgisch en Vlaams (Sociaal) Energie- en Klimaatplan

Terug naar navigatie - Klimaatuitdagingen - Belgisch en Vlaams (Sociaal) Energie- en Klimaatplan

Uit het Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030:

p.16:

De nationale energie- en klimaatplannen die door de EU-lidstaten worden opgesteld, waarin strategieën, beleidslijnen en maatregelen opgenomen zijn om tegemoet te komen aan bovengenoemde doelstellingen en ambities, zijn gestructureerd volgens de vijf hoofddimensies van de energie-unie:

1. Decarbonisatie: het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen in de Europese economie en de toename van hernieuwbare energie;

2. Energie-efficiëntie: het verhogen van de efficiëntie van energieverbruik in alle sectoren;

3. Energiebevoorradingszekerheid: het versterken van de weerbaarheid om verstoringen in de energievoorziening op te vangen;

4. De interne energiemarkt: het verzekeren van een functionerende energiemarkt, en het stimuleren van de integratie tot een eengemaakte Europese markt;

5. Onderzoek, innovatie en concurrentievermogen: investeren in onderzoek en innovatie om de ontwikkeling en implementatie van nieuwe technologieën te ondersteunen, en het verzekeren van de internationale competitiviteit van Europese industrie

p.19:

‘Een laatste strategische beleidslijn die doorweven is doorheen alle dimensies van dit plan, is het voornemen om de betaalbaarheid en het draagvlak voor de transitie te bewaken. We kiezen resoluut voor een klimaatbeleid waarvan elke Vlaming beter wordt, en we vermijden dat bestaande economische en sociale ongelijkheden verder uitgediept worden.’

‘In het Sociaal Klimaatplan worden verschillende maatregelen uitgewerkt, die als doel hebben om de negatieve impact van het nieuwe emissiehandelssysteem voor gebouwen en wegtransport (ETS2) op kwetsbare huishoudens, transportgebruikers en micro-ondernemingen te compenseren. De maatregelen in het Sociaal Klimaatplan zullen worden gefinancierd met de middelen die België zal verkrijgen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, opgericht met een deel van de veilinginkomsten uit ETS2, waarvoor lidstaten een verplichte cofinanciering van 25% moeten voorzien. De doelgroepmaatregelen voor gebouwen uit het Sociaal Klimaatplan zullen ook worden opgenomen in het Energiearmoedeplan 2030.’

 

Deel Sociaal klimaatbeleid en energiearmoede (p. 205 e.v.)

'Het Vlaams Sociaal Klimaatplan zal maatregelen en investeringen bevatten, die gericht zijn op kwetsbare huishoudens, kwetsbare transportgebruikers en kleine Vlaamse ondernemingen. Op basis van een verdeelsleutel tussen de Gewesten en de federale overheid, wordt hiertoe een budget toegewezen. De nadruk van het Vlaams Sociaal Klimaatplan ligt op structurele maatregelen als flankerend beleid om kwetsbare burgers in de samenleving, micro-ondernemingen en lokale besturen te ondersteunen in de transitie. Het plan gaat bovendien hand in hand samen met de al bestaande beleidsmaatregelen zoals de hervormde Mijn Verbouwpremie, de geplande hervorming van de Mijn VerbouwLening, die voor de meest kwetsbaren de volledige rente zal dekken en de vernieuwde focus op ontzorgen, informeren en begeleiding via de Mijn VerbouwBegeleiding. Een belangrijk onderdeel van het VEKP is het ondersteunen van renovaties, het fossielvrij maken van onze woningen, inzetten op transportarmoede, via Vlaams of lokaal beleid impactvolle maatregelen door te voeren en het ondersteunen van onze Vlaamse kleine ondernemingen die door de transitie gaan. Dat moet het sociale karakter van de klimaattransitie verzekeren en past in de strijd tegen armoede.'

'In de transportsector wordt in het kader van het ontwerp van het Vlaams Sociaal Klimaatplan voorgesteld om te investeren in volgende bijkomende maatregelen:

  • fietsinfrastructuur en fietssnelwegen tegen vervoersarmoede;
  • versterking van openbaar vervoer op maat in vervoersarme regio’s;
  • ondersteuning van micro-ondernemingen in de energieomslag transport a.d.h.v subsidie;
  • versterking Ecoboostlening voor micro-ondernemingen (transport).'

In de gebouwensector worden in het kader van het Sociaal Klimaatplan volgende bijkomende maatregelen voorgesteld:

  • Mijn VerbouwLening renteloos voor laagste inkomens en sociale verhuur;
  • verhoging steunpercentage Mijn VerbouwPremie laagste inkomensdoelgroep;
  • Mijn VerbouwPremie voor sociale huur;
  • Mijn VerbouwPremie voor geconventioneerde huur;
  • renovatiesubsidies voor sociale huurwoningen;
  • versterking van het noodkoopfonds met focus op de plaatsing van warmtepompen;
  • versterking Mijn VerbouwBegeleiding laagste inkomens en uitbreiding verhuurders;
  • versterking Ecoboostlening micro-ondernemingen (gebouwen);
  • organisatorische en technische ondersteuning lokale overheden om energiearmoede kwetsbare huishoudens en micro-ondernemingen tegen te gaan;
  • ondersteuning energetische renovaties sociaal-maatschappelijke lokale infrastructuur.

Andere voorstellen zijn o.m.:

  • vanaf 2028 zal het verboden zijn om de huurprijs te indexeren van woningen die niet voldoen aan de via voorgaande maatregel vooropgestelde energienormen, wat verhuurders moet aanzetten tot woningrenovatie;
  • Mijn Energiescan;
  • evaluatie van LAC-werking;
  • een betere toeleiding van klanten naar de hulpverlening en het maximaal inzetten van de mogelijkheden van de digitale meter in de strijd tegen energiearmoede;
  • Noodkoopfonds;
  • blijvende inzet op het aanbieden van de minimale levering aardgas en elektriciteit in samenwerking met de OCMW’s;
  • onderzoek of en hoe commerciële leveranciers de voorafbetalingsfunctie van de digitale meter kunnen aanbieden op een sociaal verantwoorde manier.

 

Samenvatting VVSG: 

Op 18 juli 2025 heeft de Vlaamse regering het definitieve Vlaams Energie- en Klimaatplan (VEKP) 2021-2030 goedgekeurd. Het plan, een update van het ontwerp uit 2023, geeft invulling aan de Vlaamse bijdrage aan de Europese klimaatdoelstellingen. Centraal staat een reductie van de broeikasgasuitstoot in de ESR-sectoren met -40% tegen 2030 ten opzichte van 2005.

Kernpunten

  • Minder broeikasgassen: tegen 2030 moet de uitstoot met 40% dalen in transport, gebouwen, landbouw en afval, de ESR-sectoren.
  • Meer CO2-opslag in bossen en natuur: tegen 2030 moet er 320.000 ton extra CO2 uit de lucht gehaald en opgeslagen worden via bossen, natuur en bodems, het zogenaamde LULUCF-domein.
  • Hernieuwbare energie groeit: in 2030 moet er 34.259 GWh duurzame energie worden opgewekt.
  • Taks shift: de beleidskosten verschuiven van elektriciteit naar fossiele brandstoffen voor verwarming, om duurzame keuzes aantrekkelijker te maken.
  • Ontmantelingsplannen voor het aardgasnet: aankondiging van de uitfasering van het aardgasnet en onderzoek naar de mogelijkheid om het gasnet te verwijderen waar een warmtenet wordt aangelegd.

Sleutelrol lokale besturen

Steden en gemeenten krijgen een prominente plaats in de uitvoering:

  • Stadslogistiek verduurzamen: uitvoering van de Kaderovereenkomst Zero-Emissie Stadslogistiek (2024). Steden en gemeenten krijgen beleidsvrijheid om dit lokaal vorm te geven.
  • Gebouwgebonden financiering onderzoeken: steden en gemeenten zouden in de toekomst collectieve investeringen, zoals warmtenetten, kunnen voorfinancieren en laten terugbetalen via de onroerende voorheffing.
  • Burgemeestersconvenant versterken: er komen extra instrumenten om zowel klimaatmaatregelen als de strijd tegen energiearmoede te ondersteunen.
  • Aanpak energiearmoede versterken: in het kader van het Sociaal Klimaatplan voorziet Vlaanderen organisatorische en technische ondersteuning voor lokale besturen. Omdat steden en gemeenten het dichtst bij de inwoners staan en via sociaal, woon- en economisch beleid veel betekenen, spelen ze een sleutelrol. Succesvolle lokale praktijken worden opgeschaald naar Vlaams niveau.
  • Uitrol van het programma Fossielvrije Weerbare Wijken.

Gezondheidspreventie

Preventiepeiling Vlaams Instituut Gezond Leven vzw

Terug naar navigatie - Gezondheidspreventie - Preventiepeiling Vlaams Instituut Gezond Leven vzw

Hoe zorg je er als lokaal bestuur voor dat afzonderlijke preventieve acties verankerd raken in een duurzaam en integraal preventief gezondheidsbeleid? Door in te zetten op de volgende 5 succesfactoren heeft het lokale preventieve gezondheidsbeleid écht kans op slagen:


•    Langetermijnvisie is de kijk op en de mate waarin het preventieve gezondheidsbeleid in het lokaal bestuur verankerd is in het beleid en over beleidsdomeinen heen zodat het meer is dan een ‘one time/shot issue’ maar ook over de lokale legislaturen zal blijven bestaan.
•    Communicatie gaat over het bekend maken en verspreiden van alle initiatieven rond preventieve gezondheid naar de algemene bevolking, kwetsbare groepen en het eigen personeel (interne communicatie).
•    Capaciteit en bestuurskracht gaat over de financiële en personele middelen, de beschikbare tijd en de deskundigheid van zowel ambtenaren als mandatarissen om een effectief preventief gezondheidsbeleid te ontwikkelen, uit te voeren, te evalueren en bij te sturen.
•    Intersectorale samenwerking gaat over samenwerken met verschillende partners zowel binnen als buiten de stedelijke/gemeentelijke administraties als over partners binnen en buiten het domein van welzijn en gezondheid.
•    Burgerparticipatie is de mate waarin het lokaal bestuur inwoners betrekt bij de ontwikkeling en uitvoering van het preventieve gezondheidsbeleid. Is dat occasioneel of toch structureel? Welke kanalen worden hiervoor gebruikt en zijn die effectief?

De totaalscore voor het algemene preventieve gezondheidsbeleid is een score op 100 en is de som van de scores op 10 van elke succesfactor. Niet elke succesfactor weegt hierbij even zwaar door: capaciteit en bestuurskracht tellen mee voor 40%, intersectorale samenwerking voor 20%, langetermijnvisie en burgerparticipatie elk voor 15% en communicatie voor 10%. De totaalscore op 100 is geen klassieke puntenscore waarbij 50 op 100 voldoende is, maar een continue kwaliteitsschaal waarbij 20 als minimum geldt en 80 of meer ideaal is.

(De gegevens in deze bron zijn afkomstig uit de Preventiepeiling. De Preventiepeiling (vroeger indicatorenbevraging) is een driejaarlijkse vragenlijststudie die peilt naar het preventief gezondheidsbeleid in onder meer lokale besturen in Vlaanderen en Brussel. Vlaams Instituut Gezond Leven vzw voert de Preventiepeiling uit in opdracht van het Departement Zorg en dit in samenwerking met verschillende partners.)

Eeklo is rond gezondheidspreventie goed bezig en haalde in de meest recente peiling 69% (gemiddelde Vlaams Gewest 47%).

 

Gezondheidspreventie kan een pak thema's omvatten, waar we samen met externe partners kunnen op inzetten:

  • alcohol en illegale drugs;
  • bevolkingsonderzoeken;
  • beweging en lang stilzitten;
  • gamen;
  • gezondheid en milieu;
  • gokken;
  • mentaal welbevinden;
  • mondgezondheid;
  • psychoactieve medicatie;
  • roken en vapen;
  • seksuele gezondheid;
  • suïcidepreventie;
  • vaccinaties;
  • valpreventie;
  • voeding.

Bestuurskracht

Studie Lokale financiën 2024 – Belfius – analyse voorbije legislatuur en vooruitblik

Terug naar navigatie - Bestuurskracht - Studie Lokale financiën 2024 – Belfius – analyse voorbije legislatuur en vooruitblik

De gemeentebesturen zien 3 grote uitdagingen voor de volgende bestuursperiode:

  1. De pensioenlast staat met stip op nummer 1. Slechts 4% van de gemeenten ziet dit niet meteen als een probleem, ondanks de onrustwekkende projecties van de Federale Pensioendienst. De responsabiliseringsbijdragen, die bovenop de basisbijdragen komen, zouden alleen al voor 2024 met een stijging van 19,5% op 443 miljoen euro neerkomen. Tegen 2028 zouden deze bijdragen oplopen tot 787 miljoen euro, waardoor de gemeenten 1,3 miljard euro betalen, inclusief basisbijdragen.
  2. Ook de klimaataanpassing en energietransitie zijn een stevige kopzorg. Voorlopig ligt 5% van de besturen er nog niet echt wakker van. Voor heel wat milieukwesties wordt inderdaad naar de gemeenten gekeken, terwijl ze steeds vaker geconfronteerd worden met de almaar toenemende gevolgen van de klimaatopwarming zoals overstromingen, stormen en bosbranden. De meerderheid van de gemeenten heeft zich al ingezet voor de ontwikkeling van een klimaatplan op lokaal niveau, maar de uitvoering ervan vereist een aanzienlijke mobilisatie van budgetten en personeel.
  3. De kosten voor de politie- en hulpverleningszones (brandweerzones) zijn al lang een zorg. Voor slechts 9% van de gemeenten is dat minder het geval. Hoewel dit een federale bevoegdheid is, worden gemeenten financieel mee in het bad getrokken. Al sinds de oprichting van de politie- en hulpverleningszones eisen lokale besturen dan ook dat de kostenverdeling lokaal-federaal in evenwicht wordt gebracht. Ze willen daarbij ook dat de werkelijke kosten vergoed worden. Zeker als de federale dotaties aan de zones niet geïndexeerd worden en de kosten voor de zones wel oplopen.